Ambtelijke correspondentie / Adviesbrief.
Origineel
Ambtelijke correspondentie / Adviesbrief. 22 april 1942. (Vermoedelijk) Directeur van de Marktwezen of een technisch adviseur van de gemeente Amsterdam. [Handgeschreven rechtsboven:] M. v. Duinhoven(?)
[Handgeschreven middenboven:] Verzonden 22/4
[Rechtsboven:] G.
2A/6/3 M
n 2
22 April 1942.
Bouw aardappelhutten
op Centrale Markt.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 21 dezer om zeer spoedig advies ontvangen stukken No.217 L.M. 1942 heb ik de eer U te berichten, dat ik my met den technischen opzet der plannen, in aanmerking nemende, dat het hier een werk van tydelyken aard betreft, kan vereenigen. Evenwel meen ik nog het volgende onder Uw aandacht te moeten brengen.
In het seizoen 1941/42 is rond 260.000 hl. aardappelen te dezer stede opgeslagen geweest, waarvan rond 160.000 hl. in pakhuizen en de rest in schepen en lichters. Gebleken is, dat ondanks de maatregelen, waardoor een deel der bevolking zelf een kleinen wintervoorraad van aardappelen heeft kunnen opdoen en ondanks het feit, dat na het intreden van de vorstperiode nog rond 100.000 hl. aardappelen werden aangevoerd, deze voorraad slechts heeft kunnen strekken voor rond 4 à 5 weken. Gezien de langdurige winterperiode in dit seizoen en de daarby opgedane ervaringen, moet myns inziens voor het winterseizoen 1942/1943 gerekend worden met een opslag voor stel minstens 8 weken. Daarby moet myns inziens rekening worden gehouden met de mogelykheid, dat, met het oog op de graanpositie en die van andere levensmiddelen, het aardappelrantsoen eventueel nog zal moeten worden opgevoerd. By handhaving van het rantsoen aardappelen van 3 ½ kg. per week en per hoofd van de bevolking is de behoefte voor Amsterdam te stellen op rond 60.000 hl. per week (voor bevolking, keukens, instellingen, enz.). Voor een 8-weeksche periode van opslag zou dan benoodigd zyn rond 500.000 hl., dit is byna het dubbele van den winteropslag 1941/1942.
De plaatselyke afdeeling der Vebena heeft by het verkrygen van opslagruimte, die zoowel wat inrichting als ligging betreft voor het doel geschikt moest zyn, verschillende moeilykheden gehad, zoowel doordat de eigenaars, van wie panden moesten worden gehuurd, deze niet gaarne voor den opslag van aardappelen wilden afstaan, terwyl ook de gevraagde huurpryzen veelal bezwaren schynen te hebben opgeleverd. Voor zoover de hieromtrent door de Vebena verstrekte inlichtingen gaan, is voor kosten van opslag een zeker bedrag uitgetrokken,
--- * Kernboodschap: De schrijver adviseert positief over de technische plannen voor tijdelijke aardappelopslag ("hutten") op de Centrale Markt, maar waarschuwt dat de opslagcapaciteit drastisch moet worden uitgebreid.
* Logistieke berekening: Op basis van een rantsoen van 3,5 kg per persoon per week heeft Amsterdam 60.000 hl aardappelen per week nodig. Om een reserve van 8 weken aan te leggen (noodzakelijk geacht na de ervaringen van de strenge winter van '41/'42), is een totale opslag van 500.000 hl nodig. Dit is bijna een verdubbeling ten opzichte van het voorgaande jaar.
* Problematiek: Er is een groot tekort aan reguliere opslagruimte. Private eigenaren van pakhuizen zijn onwillig om hun panden te verhuren voor aardappelopslag, mede vanwege de lage vergoedingen of de aard van het product. De "aardappelhutten" dienen als noodoplossing.
* Terminologie: "Vebena" verwijst naar het Verkoop-Bureau van Nederlandsche Aardappelen, de organisatie die tijdens de bezetting de distributie reguleerde.
--- Dit document stamt uit de Tweede Wereldoorlog (Duitse bezetting). Voedselvoorziening was een kritieke taak van het gemeentebestuur. De winter van 1941-1942 was extreem streng geweest, wat leidde tot bevriezing van voorraden en distributieproblemen. In april 1942 bereidde men zich daarom al voor op de volgende winter om hongersnood te voorkomen. De aardappel was het belangrijkste volksvoedsel, zeker omdat andere producten zoals graan (brood) steeds schaarser werden. De bouw van tijdelijke faciliteiten op de Centrale Markt (tegenwoordig het Food Center Amsterdam aan de Jan van Galenstraat) was een directe reactie op het gebrek aan medewerking van private opslageigenaren en de noodzaak tot centrale regie.