Archiefdocument
Origineel
12 november 1942 Den Heer Directeur van het Marktwezen, Amsterdam NEDERLANDSCHE VISSCHERIJCENTRALE
AFDEELING Verd.
BETREFFENDE Ruijg en Bootsma
'S-GRAVENHAGE, 12 November 1942.
BERICHT OP SCHRIJVEN 3-11-'42 No. 46 A/521/5M
BIJ ANTWOORD VERMELDEN 29661 V/Lan.
BIJLAGEN STUKS, T.W.
Den Heer Directeur van
het Marktwezen
Jan van Galenstraat 14
AMSTERDAM.-
[Stempel en handgeschreven aantekeningen:]
Nº 46 A/521/6 [handgeschreven]
M. 1942 [paars stempel] 13/11 [handgeschreven]
[Handtekening/paraaf:] P. van de K. [?]
In antwoord op Uw nevenvermeld schrijven
deelen wij U mede, dat Jut Ruijg en
H. Bootsma te Monnikendam kleinhandelaren
zijn en als zoodanig niet verplicht kunnen
worden de hun toegewezen visch naar Uw af-
slag te zenden.
NEDERLANDSCHE VISSCHERIJCENTRALE,
[Handtekening in paarse inkt]
Vi.
[Paraaf in blauwe inkt: bpb]
[Handgeschreven tekst in rode inkt, rechtsonder:]
Waar wordt de visch
v. Ruijg & Bootsma
verkocht?
onbekend [onderstreept]
18-11-42
de Haas 17-11-42
[Voetnoot:]
ADELHEIDSTRAAT 300, 'S-GRAVENHAGE — POSTGIROREKENING 245271 — TELEGRAMADRES: NEDVISCEN
TELEFOON 720080, INTERCOMM. XX. VOOR AFDEELING DISTRIBUTIE EN VISCHVERVOER 720060, TOESTEL 674
EN 722641
(A) 23393 - '42 - K 983 Dit document is een officiële brief van de Nederlandsche Visscherijcentrale (NVC) aan de Directeur van het Marktwezen in Amsterdam. De kern van de correspondentie is een juridische/administratieve afbakening: de NVC stelt dat twee specifieke handelaren uit Monnikendam, Jut Ruijg en H. Bootsma, als "kleinhandelaren" worden geclassificeerd. Vanwege deze status zijn zij niet verplicht om de aan hen toegewezen vis ter veiling aan te bieden bij de afslag in Amsterdam.
Opvallend is de rode handgeschreven krabbel onderaan. Hieruit spreekt een zekere argwaan of controlebehoefte van de ontvangende partij ("Waar wordt de visch... verkocht?"), met het korte antwoord "onbekend". Dit duidt op de strikte regulering en de bureaucratische controle op de voedselvoorziening tijdens de oorlogsjaren. De brief dateert uit november 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De Nederlandsche Visscherijcentrale speelde in deze periode een cruciale rol in de distributie en prijsbeheersing van vis. Vanwege de voedselschaarste was de distributie strak georganiseerd via toewijzingen en centrale afslagen (veilingen) om zwarte handel te voorkomen en de Duitse bevoorrading te waarborgen.
Het conflict dat hier zichtbaar wordt, is typerend voor de periode: de spanning tussen lokale kleinhandelaren die hun waar direct willen verkopen en de centrale instanties (zoals het Marktwezen in Amsterdam) die proberen alle goederenstromen via officiële, controleerbare kanalen te laten lopen. De NVC geeft hier een formele vrijstelling op basis van de bedrijfsgrootte van de betrokkenen.