Gedrukte ambtelijke verordening/toevoeging met handgeschreven kanttekeningen en stempels.
Origineel
Gedrukte ambtelijke verordening/toevoeging met handgeschreven kanttekeningen en stempels. 12 oktober 1942 (datumstempel) en 26-28 oktober 1942 (handgeschreven data). [Gedrukte tekst]
Onder A van het Ventverbod vermeld in de vent- en opkoopersvergunningen wordt toegevoegd:
8°. in de Camperstraat, op den Iepenweg en op het Iepenplein alsmede op den openbaren weg binnen een afstand van 25 meter van bovengenoemde wegen, behalve voor zoover betreft de Eerste, Tweede en Derde Oosterparkstraat, waar het venten en opkoopen is verboden tot 50 meter van de Camperstraat, den Iepenweg en het Iepenplein.
[Stempel en handgeschreven notities]
- Blauwe stempel: 12 OCT. 1942
- Rode pen: 46a/6462
- Zwarte pen (onder rode nummer): 28/10/42/HS
- Zwarte pen (rechterkant, verticaal):
- Afwijzen;
- heeft vorig jaar
- ook niets gehad
- afgewezen
- Heeft geen recht
- [Handtekening/Paraaf]
- 26-10-'42
- afk. [afkeur] Dit document betreft een officiële aanpassing van de regelgeving omtrent straathandel in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. De gedrukte tekst specificeert een uitbreiding van het "Ventverbod" (het verbod om goederen op straat te verkopen of op te kopen) voor een specifiek cluster van straten in de Oosterparkbuurt.
Opvallend zijn de handgeschreven kanttekeningen. Deze suggereren dat dit specifieke exemplaar werd gebruikt bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. De ambtenaar noteert "Afwijzen" en "Heeft geen recht", met als motivatie dat de aanvrager "vorig jaar ook niets gehad" heeft. Dit wijst op een streng en consistent beleid bij het weigeren van ventvergunningen in deze periode.
De administratieve nummers en data (12, 26 en 28 oktober 1942) tonen de voortgang van de bureaucratische afhandeling van dit dossier. Het document dateert uit oktober 1942, een kritieke fase in de Tweede Wereldoorlog in Nederland. De genoemde straten (Camperstraat, Iepenweg, Iepenplein) lagen in een buurt met een van oudsher grote Joodse populatie.
Tijdens de bezetting werden ventvergunningen en het ventverbod door de Duitse autoriteiten en het collaborerende Amsterdamse stadsbestuur vaak ingezet als instrument om de economische bewegingsvrijheid van burgers, en specifiek Joodse handelaren, in te perken. Het verbieden van straathandel in bepaalde sectoren was een methode om de distributie van goederen volledig onder controle te krijgen en ongewenste personen uit het openbare economische leven te weren. De opmerking "Heeft geen recht" kan in dit licht bezien een bittere administratieve realiteit weergeven voor iemand die door de toenmalige rassenwetten of distributiewetten van zijn bestaansmiddelen werd beroofd.