Brief (mogelijk een doorslag of ambtelijke kopie).
Origineel
Brief (mogelijk een doorslag of ambtelijke kopie). 28 oktober 1942. De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen van Amsterdam (getekend door J.L. Strak). Den heer Th.J. Steenmeyer, Trompenburgstraat 105, ALHIER (Amsterdam-Zuid). No 46a/662/3 M. 1942 29/10
L.M. 844 -1942-
Aan den heer Th.J. Steenmeyer, Marktw.
Trompenburgstraat 105,
A_L_H_I_E_R (Z).
[handgeschreven tekst over adres:] gezien door mr. [onleesbaar]
28 October 1942.
Naar aanleiding van Uw tot kamer 50 gericht schrijven van 22 September j.l. deel ik U mede, dat de aanvoer van zeevisch in verhouding tot de vraag naar goedkoope zeevisch gering is geweest sedert daarvoor maximum prijzen zijn vastgesteld.
Naar de meening van terzake kundigen, hebben de visschers, sedert die vaststelling niet veel animo om naar zee te gaan. Niet alleen liggen de maximumprijzen veel lager dan die, welke zij voordien voor hun visch ontvingen, doch ook schijnt de moeilijkheid tot het verkrijgen van voldoende olie als motorbrandstof en kolen van invloed te zijn, benevens de omstandigheid, dat het des nachts meestal verboden is te visschen.
Tot nog toe is mij niet gebleken, dat de zeevisch in den zwarten handel verdwijnt.
vM De Wethouder voor de Levensmiddelen,
Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,
(get.) J.L. Strak In deze brief reageert de Amsterdamse wethouder Strak op een klacht of vraag van een burger (de heer Steenmeyer) over het gebrek aan zeevis. De wethouder erkent dat het aanbod gering is en geeft hiervoor drie hoofdoorzaken:
1. Economisch: Door de invoering van maximumprijzen is het voor vissers financieel niet meer aantrekkelijk om uit te varen, omdat de opbrengst aanzienlijk lager is dan voorheen.
2. Logistiek: Er is een groot tekort aan brandstoffen zoals olie en kolen voor de vissersvloot.
3. Operationeel: Er geldt een verbod op nachtvisserij (waarschijnlijk vanwege de spertijd en oorlogsmaatregelen op zee).
Opmerkelijk is dat de wethouder expliciet ontkent dat de vis op grote schaal in de zwarte handel verdwijnt, wat suggereert dat de burger hier in zijn oorspronkelijke brief wel naar vroeg of op zinspeelde. Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog (oktober 1942). In deze fase van de oorlog werd de schaarste aan voedsel en brandstof steeds nijpender. De bezetter en het Nederlandse bestuur probeerden de prijzen te beheersen via maximumprijzen en het distributiestelsel, maar dit leidde vaak tot onbedoelde effecten: producenten (zoals de vissers in dit geval) stopten met hun werkzaamheden omdat het niet meer rendabel was, of weken uit naar de zwarte markt (ook al ontkent de wethouder dat laatste hier).
De ondertekenaar, Johannes L. Strak, was een door de bezetter benoemde NSB-wethouder in Amsterdam. De "kamer 50" waarnaar verwezen wordt, duidt op een specifiek loket of afdeling binnen het gemeentelijk apparaat dat zich bezighield met voedselvoorziening en distributie. De Trompenburgstraat in Amsterdam-Zuid ligt in de Rivierenbuurt.