Archief 745
Inventaris 745-386
Pagina 361
Dossier 109
Jaar 1942
Stadsarchief

Afschrift van een getypte brief.

14 oktober 1942. Van: W. Faile Jr., Elandsstraat 98 I, Amsterdam-Centrum.

Origineel

Afschrift van een getypte brief. 14 oktober 1942. W. Faile Jr., Elandsstraat 98 I, Amsterdam-Centrum. No.46a/779/1 M.1942 22/10 AFSCHRIFT.
No.905 L.M.1942 16/10

14-10-1942.

Hooggeachte Burgemeester,

Ik ondergetekende W.Faile Jr., Elandsstraat 98 I, komt tot u met een vriendelijk verzoek. Mijnheer daar ik vischventer bent en in het bezit bent van een ventvergunning voor deze handel, doen ik een beroep op U.

Mijnheer toen wij in het jaar 1939 alles op moesten geven voor een toewijzing voor visch en garnalen te kunnen was ik in militairen dienst tot October 1940. Mijnheer zoodoende kon ik toen niets opgeven en ben ik ook niet in aanmerking gekomen voor een toewijzing. Mijnheer wel hebben ze mij een toewijzing gegeven voor mosselen, maar daar je van 2 of 3 keer mosselen in de week haast geen huishouding kan onderhouden zoodoende went ik mij tot u

Mijnheer ik ben naar de Nederlandsche Visscherijcentrale in Den Haag geweest, maar daar wezen zij mij weer naar Amsterdam want Den Haag had er niets mee te maken. Mijnheer zoo hoop ik bij U in de gunst te mogen komen voor een toewijzing van garnalen en andere visen, of dat u voor mij een goed woord zou willen doen voor een toewijzing daar ik op een eerlijke manier mijn brood voor mij en mijn gezin wil verdienen.

Zoo noem ik mij uw dienstwillinge dienaar

w.g.W.Faile Jr.
Elandsstraat 98 I,
Amsterdam-Centrum. In deze brief verzoekt W. Faile Jr., een visventer uit de Amsterdamse Jordaan (Elandsstraat), de burgemeester om hulp bij het verkrijgen van een toewijzing voor de verkoop van vis en garnalen.

De kern van zijn probleem is een administratieve achterstand door overmacht: op het moment dat de nieuwe regelingen voor toewijzingen in 1939 werden ingevoerd, was hij in militaire dienst (gemobiliseerd). Hierdoor kon hij niet tijdig de benodigde gegevens aanleveren. Hij is pas in oktober 1940 uit dienst gekomen.

De schrijver geeft aan dat hij momenteel alleen een toewijzing heeft voor mosselen, maar dat de handel hierin (slechts 2 à 3 keer per week) onvoldoende is om zijn gezin te onderhouden. Hij heeft reeds getracht dit via de Nederlandsche Visscherijcentrale in Den Haag op te lossen, maar is daar terugverwezen naar de lokale overheid in Amsterdam. De toon van de brief is uiterst onderdanig ("dienstwillinge dienaar", herhaaldelijk gebruik van "Mijnheer"), wat typerend was voor correspondentie van burgers aan hooggeplaatste functionarissen in die tijd, zeker in tijden van schaarste. De brief dateert uit oktober 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de voedselvoorziening en de handel strikt gereguleerd via een systeem van vergunningen en distributie (toewijzingen). Zonder een officiële toewijzing kon een handelaar simpelweg niet aan voorraad komen om te verkopen.

De verwijzing naar zijn militaire dienst duidt op de Nederlandse mobilisatie van 1939 en de strijd in mei 1940. Veel Nederlandse militairen werden na de capitulatie gedemobiliseerd, maar keerden terug in een maatschappij die volledig ontregeld was door de bezetter.

De "Nederlandsche Visscherijcentrale" was een door de bezetter gecontroleerd orgaan dat toezag op de visserijsector. Dat Faile van het kastje naar de muur wordt gestuurd (van Den Haag terug naar Amsterdam), illustreert de bureaucratische complexiteit van het bezettingsbestuur. Voor een kleine zelfstandige uit een volksbuurt als de Jordaan betekende het ontbreken van de juiste papieren vaak directe armoede voor het hele gezin.

Samenvatting

In deze brief verzoekt W. Faile Jr., een visventer uit de Amsterdamse Jordaan (Elandsstraat), de burgemeester om hulp bij het verkrijgen van een toewijzing voor de verkoop van vis en garnalen.

De kern van zijn probleem is een administratieve achterstand door overmacht: op het moment dat de nieuwe regelingen voor toewijzingen in 1939 werden ingevoerd, was hij in militaire dienst (gemobiliseerd). Hierdoor kon hij niet tijdig de benodigde gegevens aanleveren. Hij is pas in oktober 1940 uit dienst gekomen.

De schrijver geeft aan dat hij momenteel alleen een toewijzing heeft voor mosselen, maar dat de handel hierin (slechts 2 à 3 keer per week) onvoldoende is om zijn gezin te onderhouden. Hij heeft reeds getracht dit via de Nederlandsche Visscherijcentrale in Den Haag op te lossen, maar is daar terugverwezen naar de lokale overheid in Amsterdam. De toon van de brief is uiterst onderdanig ("dienstwillinge dienaar", herhaaldelijk gebruik van "Mijnheer"), wat typerend was voor correspondentie van burgers aan hooggeplaatste functionarissen in die tijd, zeker in tijden van schaarste.

Historische Context

De brief dateert uit oktober 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de voedselvoorziening en de handel strikt gereguleerd via een systeem van vergunningen en distributie (toewijzingen). Zonder een officiële toewijzing kon een handelaar simpelweg niet aan voorraad komen om te verkopen.

De verwijzing naar zijn militaire dienst duidt op de Nederlandse mobilisatie van 1939 en de strijd in mei 1940. Veel Nederlandse militairen werden na de capitulatie gedemobiliseerd, maar keerden terug in een maatschappij die volledig ontregeld was door de bezetter.

De "Nederlandsche Visscherijcentrale" was een door de bezetter gecontroleerd orgaan dat toezag op de visserijsector. Dat Faile van het kastje naar de muur wordt gestuurd (van Den Haag terug naar Amsterdam), illustreert de bureaucratische complexiteit van het bezettingsbestuur. Voor een kleine zelfstandige uit een volksbuurt als de Jordaan betekende het ontbreken van de juiste papieren vaak directe armoede voor het hele gezin.

Kooplieden in dit dossier 9

A. Goldberg Uilenburg
M. v. d. Heijden Uilenburg
A v Duinhof Uilenburg
C. Blanken Uilenburg
H. Westerveld Uilenburg
J. de Nobel Uilenburg
T. Heefkerk Uilenburg
G. Slappendel Uilenburg

Gerelateerde Documenten 2