Getypt rapport met ambtelijke stempels.
Origineel
Getypt rapport met ambtelijke stempels. 15 december 1939 (gebaseerd op het stempel linksboven: 15/12 1939). Onbekend (waarschijnlijk een ambtenaar van het Marktwezen). R A P P O R T .
Aan den Heer Directeur
van het Marktwezen,
Alhier.
[Stempel linksboven:] No 25/226/2 M. 1939 15/12
In aansluiting op het rapport van den chef-marktopzichter, inzake het verzoek van den Wethouder voor het Onderwijs, om tot opheffing van het derde gedeelte van de markt aan de Albert Cuypstraat te besluiten, deel ik U het volgende mede.
Vast staat, dat het onderwijs, in de op den hoek van de Sweelinckstraat en Albert Cuypstraat gevestigde school, door het marktrumoer, geregeld zeer ernstig wordt gestoord.
De enkele vaste plaatshouders op dit gedeelte van de markt, die plaatsen voor en tegenover de school innemen, houden zich strikt aan het, hun door de marktambtenaren opgelegde verbod, om hun waar luidkeels aan te prijzen. De kooplieden welke de last veroorzaken, zijn over het algemeen de venters die, des middags uit hun ventwijken komende, losse plaatsen op de markt innemen. Het is den venters bekend, dat het luidkeels aanprijzen van hun waar, op dit gedeelte van de markt verboden is. Zij moeten zich echter "los maken" en trekken zich van een verbod, als regel niet veel aan. Herhaaldelijk is tegen deze personen opgetreden. De dienstdoende marktambtenaren komen echter slechts bij tijden op het derde gedeelte van de markt, waardoor het practisch uitgesloten is, venters die hun waren gewoonlijk luidkeels aanprijzen, te beletten plaatsen op dit gedeelte der markt in te nemen.
Wanneer de ambtenaar wordt gewaarschuwd, dat dergelijke kooplieden plaatsen hebben ingenomen, is het als regel te laat en heeft verstoring van het onderwijs reeds plaats gevonden. De eenige oplossing is dan ook, de markt op dit gedeelte, van Maandag tot en met Vrijdag op te heffen.
Des Zaterdags ondervindt het onderwijs geen last. De plaatsen worden pas tegen 11 uur uitgegeven en dan nog in hoofdzaak aan stille kramers, terwijl om 12 uur het onderwijs wordt beëindigd. Wanneer wordt besloten om het derde gedeelte van de markt aan de Albert Cuypstraat van Maandag tot en met Vrijdag op te heffen, dan zal dit tot gevolg hebben, dat voortaan minder marktgeld wordt ontvangen. Door mij is nagegaan, hoeveel ongeveer deze vermindering zal bedragen.
Gedurende het tijdvak 4 September - 1 December 1939 (13 weken) werden op het derde gedeelte der markt 960 plaatsen à f 0,15 uitgegeven of gemiddeld per week 74 plaatsen à f 0,15 = f 11,10. Over een vol jaar gerekend kan dit bedrag dus worden vastgesteld op 52 x f 11,10 = f 577,20. Op het derde gedeelte der markt zijn 10 vaste plaatsen uitgegeven à f 0,60 per week en 53 vaste plaatsen à f 1,35. Van de 10 vaste plaatshouders die f 0,60 per week betalen, zijn er momenteel drie in militairen dienst, terwijl één permanent in Maatsch.Steun is opgenomen. 6 Plaatshouders betalen dus 6 x f 0,60 of f 3,60 per week of f 187,20 per jaar. Zij zullen voortaan als losse plaatshouders op Zaterdag betalen 6 x f 0,15 = f 0,90 per week of f 46,80 per jaar. * Kernproblematiek: Het document beschrijft een klassiek conflict tussen economische activiteit (de markt) en een publieke voorziening (onderwijs). De Wethouder van Onderwijs klaagt over "marktrumoer" dat de lessen in de school op de hoek van de Sweelinckstraat verstoort.
* Daders en Handhaving: Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de "vaste plaatshouders", die zich aan de regels houden, en "venters" (ambulante handelaren) die van buiten de wijk komen en luidruchtig hun waar aanprijzen ("los maken"). De handhaving schiet tekort omdat ambtenaren niet constant aanwezig kunnen zijn.
* Financiële verantwoording: Een groot deel van de tekst is gewijd aan een gedetailleerde berekening van de gederfde inkomsten voor de stad Amsterdam. Men berekent een verlies van ruim 577 gulden per jaar aan marktgeld voor de losse plaatsen als de markt op doordeweekse dagen wordt opgeheven.
* Sociale context: Interessant is de vermelding dat van de tien vaste plaatshouders er drie in "militairen dienst" zijn (vanwege de mobilisatie in 1939) en één in de "Maatschappelijke Steun" (sociale bijstand van die tijd). Dit geeft een inkijkje in de sociaal-economische status van de marktlui aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Dit rapport dateert uit december 1939, de periode van de 'Gure Oorlog' of 'Sitzkrieg'. Hoewel Nederland nog neutraal was, was het leger gemobiliseerd (zoals ook uit de tekst blijkt). De Albert Cuypmarkt was toen al een vitale ader in de Amsterdamse Pijp. De spanning tussen de levendige, luidruchtige marktcultuur en de behoefte aan rust voor de vele scholen in deze dichtbevolkte volksbuurt is een terugkerend thema in de Amsterdamse stadsgeschiedenis. De genoemde school op de hoek van de Sweelinckstraat en de Albert Cuypstraat betreft waarschijnlijk de voormalige Sweelinckschool. De nauwkeurigheid waarmee de guldens en centen worden berekend, is kenmerkend voor de ambtelijke zorgvuldigheid van die tijd.