Archief 745
Inventaris 745-278
Pagina 338
Dossier 2A
Jaar 1939
Stadsarchief

Ambtsbericht/Rapportage (Pagina 2)

Van: De Inspecteur (Handtekening onleesbaar, mogelijk M. Klaassen)

Origineel

Ambtsbericht/Rapportage (Pagina 2) De Inspecteur (Handtekening onleesbaar, mogelijk M. Klaassen) -2-

Een vermindering dus van f 187,20 - f 46,80 = f 140,40.
De 53 vaste plaatshouders, die f 1,35 per week betalen, kunnen worden behouden, wanneer het derde gedeelte der markt des Zaterdags wordt aangewezen als hulpmarkt van de dagmarkt. Deze 53 plaatshouders nemen als regel van Maandag tot en met Vrijdag en voor zoover dit mogelijk is ook al direct des Zaterdags een plaats in op het 1e en 2e gedeelte der markt. De plaatshouders die f 1,35 betalen en die des Zaterdags niet direct een plaats op het 1e of 2e gedeelte der markt kunnen innemen, schuiven in den loop van den dag van het 3e naar het 1e of 2e gedeelte. Deze kooplieden zullen het zeer zeker op prijsstellen f 1,35 per week te mogen blijven betalen. De verminderde ontvangsten zullen dus bedragen f 577,20 + f 140,40= f 717,60 of rond f 700,- per jaar. Van dit bedrag zal nog wel iets terugkomen, daar een aantal losse plaatshouders dat gewoonlijk op het derde gedeelte plaatsen inneemt, voor zoover dit mogelijk is, losse plaatsen op het 1e of 2e gedeelte zal gaan innemen. Aangezien dit echter niet vast staat, leek het mij juister, hiervoor maar geen bedrag aan inkomsten vast te stellen.

De personeelsbezetting van deze markt kan, indien tot het bovenstaande wordt besloten, eenige wijziging ondergaan. Tot nu toe wordt een der contrôleurs aangewezen om op deze markt stallen op te nemen. Dit werk, waar ± 1 1/2 uur per dag mee gemoeid gaat, zou dan aan de op deze markt dienstdoende ambtenaren kunnen worden opgedragen.

Indien tot opheffing van het derde gedeelte der markt wordt besloten, zouden enkele kooplieden zeer ernstig in hun bestaan worden getroffen. Dit zijn de kooplieden Coster, handelaar in bloemen, Andriesse in gebakken visch en Koekenbier en Schouwenaar in aardappelen, groente en fruit. Coster neemt sinds jaar en dag een plaats in aan de Albert Cuypstraat bij de Van Woustraat, terwijl de drie andere kooplieden sedert geruimen tijd plaatsen innemen bij de Sweelinckstraat. Indien eenigszins mogelijk moeten deze personen mijns inziens door toewijzing van standplaatsen worden geholpen.

Amsterdam, 15 December 1939.
De Inspecteur,
[Handtekening]

) Heeft een dezer
een ventvergunning?
18-12-'39 [Initialen] Dit document is de tweede pagina van een ambtelijk advies over de herstructurering van een Amsterdamse markt, zeer waarschijnlijk de Albert Cuypmarkt gezien de genoemde straatnamen. De kern van het betoog is tweeledig:
1.
Financieel-organisatorisch: De inspecteur rekent voor wat de gevolgen zijn voor de marktinkomsten als het "derde gedeelte" wordt opgeheven of veranderd in een hulpmarkt op zaterdagen. Hij stelt ook een efficiëntere personeelsbezetting voor door taken van controleurs over te dragen aan aanwezige ambtenaren.
2.
Sociaal-economisch:* De inspecteur toont een menselijke kant door expliciet de belangen te behartigen van vier specifieke kooplieden (Coster, Andriesse, Koekenbier en Schouwenaar). Hij waarschuwt dat zij "ernstig in hun bestaan" worden getroffen als zij hun vertrouwde plekken bij de Van Woustraat en Sweelinckstraat verliezen en pleit voor een structurele oplossing voor hen.

De handgeschreven marginale notitie van 18 december stelt de kritische vraag of deze specifieke personen beschikken over een 'ventvergunning', wat suggereert dat hun rechtspositie getoetst werd naar aanleiding van dit rapport. Het document dateert van december 1939. Nederland bevond zich op dat moment in de periode van de 'Mobilisatie', enkele maanden voor de Duitse inval in mei 1940. In Amsterdam werd in deze jaren constant gewerkt aan de regulering van de straathandel om de doorstroming van het verkeer te bevorderen en de marktordening te professionaliseren.

De genoemde locaties (Albert Cuypstraat, Van Woustraat, Sweelinckstraat) vormen het hart van de wijk De Pijp. De Albert Cuypmarkt was destijds al een cruciale bron van inkomsten en voedselvoorziening voor de buurt. Dat de inspecteur de namen van individuele kooplieden noemt, getuigt van de nauwe banden tussen de marktmeesters en de gevestigde kooplieden in die tijd. De vraag naar de "ventvergunning" is typerend voor de bureaucratische controle op de ambulante handel in de jaren '30.

Samenvatting

Dit document is de tweede pagina van een ambtelijk advies over de herstructurering van een Amsterdamse markt, zeer waarschijnlijk de Albert Cuypmarkt gezien de genoemde straatnamen. De kern van het betoog is tweeledig:
1. Financieel-organisatorisch: De inspecteur rekent voor wat de gevolgen zijn voor de marktinkomsten als het "derde gedeelte" wordt opgeheven of veranderd in een hulpmarkt op zaterdagen. Hij stelt ook een efficiëntere personeelsbezetting voor door taken van controleurs over te dragen aan aanwezige ambtenaren.
2. Sociaal-economisch: De inspecteur toont een menselijke kant door expliciet de belangen te behartigen van vier specifieke kooplieden (Coster, Andriesse, Koekenbier en Schouwenaar). Hij waarschuwt dat zij "ernstig in hun bestaan" worden getroffen als zij hun vertrouwde plekken bij de Van Woustraat en Sweelinckstraat verliezen en pleit voor een structurele oplossing voor hen.

De handgeschreven marginale notitie van 18 december stelt de kritische vraag of deze specifieke personen beschikken over een 'ventvergunning', wat suggereert dat hun rechtspositie getoetst werd naar aanleiding van dit rapport.

Historische Context

Het document dateert van december 1939. Nederland bevond zich op dat moment in de periode van de 'Mobilisatie', enkele maanden voor de Duitse inval in mei 1940. In Amsterdam werd in deze jaren constant gewerkt aan de regulering van de straathandel om de doorstroming van het verkeer te bevorderen en de marktordening te professionaliseren.

De genoemde locaties (Albert Cuypstraat, Van Woustraat, Sweelinckstraat) vormen het hart van de wijk De Pijp. De Albert Cuypmarkt was destijds al een cruciale bron van inkomsten en voedselvoorziening voor de buurt. Dat de inspecteur de namen van individuele kooplieden noemt, getuigt van de nauwe banden tussen de marktmeesters en de gevestigde kooplieden in die tijd. De vraag naar de "ventvergunning" is typerend voor de bureaucratische controle op de ambulante handel in de jaren '30.

Locaties

Amsterdam (betreft specifiek de omgeving Albert Cuypstraat/De Pijp)

Gerelateerde Documenten 3