Archief 745
Inventaris 745-278
Pagina 349
Dossier 37
Jaar 1939
Stadsarchief

Handgeschreven ambtelijke notitie of financieel adviesstuk.

Origineel

Handgeschreven ambtelijke notitie of financieel adviesstuk. (Noot: doorgestreepte tekst is weergegeven als tekst, invoegingen tussen [haakjes])

Wat het financieele nadeel voor de Gemeente betreft diene, dat gemiddeld per week op dit deel der markt worden uitgegeven 74 losse plaatsen à ƒ 0,15; de jaarlijksche opbrengst hiervan is dus 52 x 74 x ƒ 0,15 = ƒ 577,20. Bovendien [/ momenteel] zijn er 6 vaste plaatsen à ƒ 0,60 per week en 53 vaste plaatsen à ƒ 1,35 per week. De 6 vaste plaatsen à ƒ 0,60 per week brengen [jaarlijks] op: 52 x 6 x ƒ 0,60 = ƒ 187,20. ; zouden zij voortaan alleen op Zaterdag kunnen worden bezet, dan zou de jaarlijksche opbrengst zijn 52 x 6 x ƒ 0,15 = ƒ 46,80. Uit dezen hoofde derhalve een verlies van ƒ 187,20 - ƒ 46,80 = rond ƒ 140,- per jaar. Wat de 53 vaste plaatsen à ƒ 1,35 betreft [ten hoofde] diene, dat [dat marktgeld] betaald wordt door kooplieden, die in den loop van den dag opschuiven naar een deel der markt, waar de kramen electrisch verlicht kunnen worden (vide het Besluit van B en W d.d. 21 januari 1938 no. 768). Bij opheffing van het derde gedeelte der markt op vijf dagen der week zou dit opschuiven onmogelijk worden en zouden de [daaruit] voortvloeiende inkomsten vervallen; [te meer daar]
[schade bedraagt ƒ 52 x 53 x ƒ 1,35] alleen des Zaterdags zou het bedoelde opschuiven nog mogelijk zijn; [en zouden] de bedoelde kooplieden zouden dan in plaats van ƒ 1,35 een bedrag van ƒ 0,75 per Zaterdag moeten betalen (vide art. 17 lid 2 sub b der Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden). De uit dezen hoofde te verwachten schade bedraagt derhalve per jaar: 52 x 53 x (ƒ 1,35 - ƒ 0,75) = ƒ 1653,60 of rond ƒ 1650,-. De totale schade voor de Gemeente kan derhalve worden gesteld [voor] [tenminste] op een bedrag van ƒ 140,- + ƒ 430,- + ƒ 1650,- = rond ƒ 2200,- per jaar. Belangrijker dan dit bedrag evenwel is de schade voor [T] Zouden de bedoelde losse plaatsen alleen des Zaterdags beschikbaar zijn, dan zou de daaruit te verwachten opbrengst zeker met 75 % verminderen en dus slechts ƒ 144,30 bedragen. Het verlies uit dezen hoofde bedraagt derhalve ƒ 577,20 - ƒ 144,30 = rond ƒ 430,- per jaar.

[Marginale aantekening linksonder:]
T, nog daar gelaten dat veelal niet op Zaterdag kan worden gewerkt op het verlichte deel der markt beschikbaar zijn, zodat velen dan slechts f 0,15 in plaats van f 0,75 per dag betalen. De auteur van dit document analyseert de financiële consequenties van het sluiten van een specifiek marktdeel gedurende vijf dagen per week. Er worden drie schadeposten berekend:
1. Derving op losse plaatsen: Door de beperking tot alleen de zaterdag wordt een verlies van ƒ 430,- voorzien (75% afname).
2. Derving op 'goedkope' vaste plaatsen: Zes plaatsen die van een weektarief naar een lager zaterdagtarief gaan (verlies ƒ 140,-).
3. Derving op 'dure' vaste plaatsen: Kooplieden betalen extra voor de mogelijkheid naar een elektrisch verlicht deel door te schuiven. Omdat dit op weekdagen onmogelijk wordt, valt men terug op het basistarief (verlies ƒ 1650,-).

De berekening is zeer nauwkeurig (factor 52 weken) en verwijst naar specifieke wetgeving ("Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden"), wat duidt op een ambtenaar die de besluitvorming van Burgemeester en Wethouders voorbereidt of evalueert. Het document stamt uit 1938, de late crisisjaren in Nederland vlak voor de Tweede Wereldoorlog. In deze periode waren markten cruciaal voor de lokale economie en de voedselvoorziening, maar probeerden gemeenten ook de inkomsten te optimaliseren door modernisering (zoals de genoemde elektrische verlichting) en striktere regelgeving. Het genoemde bedrag van ƒ 2.200,- aan jaarlijks verlies was destijds substantieel; ter vergelijking: een gemiddeld arbeidersgezin verdiende in die tijd vaak minder dan ƒ 1.500,- per jaar. De notitie toont de spanning tussen ruimtelijke ordening (inkrimping van de markt) en de noodzaak tot het behoud van gemeentelijke leges-inkomsten.

Samenvatting

De auteur van dit document analyseert de financiële consequenties van het sluiten van een specifiek marktdeel gedurende vijf dagen per week. Er worden drie schadeposten berekend:
1. Derving op losse plaatsen: Door de beperking tot alleen de zaterdag wordt een verlies van ƒ 430,- voorzien (75% afname).
2. Derving op 'goedkope' vaste plaatsen: Zes plaatsen die van een weektarief naar een lager zaterdagtarief gaan (verlies ƒ 140,-).
3. Derving op 'dure' vaste plaatsen: Kooplieden betalen extra voor de mogelijkheid naar een elektrisch verlicht deel door te schuiven. Omdat dit op weekdagen onmogelijk wordt, valt men terug op het basistarief (verlies ƒ 1650,-).

De berekening is zeer nauwkeurig (factor 52 weken) en verwijst naar specifieke wetgeving ("Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden"), wat duidt op een ambtenaar die de besluitvorming van Burgemeester en Wethouders voorbereidt of evalueert.

Historische Context

Het document stamt uit 1938, de late crisisjaren in Nederland vlak voor de Tweede Wereldoorlog. In deze periode waren markten cruciaal voor de lokale economie en de voedselvoorziening, maar probeerden gemeenten ook de inkomsten te optimaliseren door modernisering (zoals de genoemde elektrische verlichting) en striktere regelgeving. Het genoemde bedrag van ƒ 2.200,- aan jaarlijks verlies was destijds substantieel; ter vergelijking: een gemiddeld arbeidersgezin verdiende in die tijd vaak minder dan ƒ 1.500,- per jaar. De notitie toont de spanning tussen ruimtelijke ordening (inkrimping van de markt) en de noodzaak tot het behoud van gemeentelijke leges-inkomsten.

Gerelateerde Documenten 3