Officiële correspondentie / Circulaire brief.
Origineel
Officiële correspondentie / Circulaire brief. 22 mei 1942. Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale (Afd. Afzet). "Aan de Veilingen" (de gezamenlijke veilingen in Nederland). NEDERLANDSCHE GROENTEN- EN FRUITCENTRALE
BANKIER: DE TWENTSCHE BANK N.V. 'S-GRAVENHAGE
POSTREKENING No. 224314
[Handgeschreven: Nº 105/55/1 M. 1942 26/5]
AFD. AFZET.
Dict. PKl. - Typ. JH. - [Stempel: Gezien]
No. 215/'42.
Toestel 29.
Rb.V.V.O.
AAN DE VEILINGEN.
[Handgeschreven paraaf/teken] [Handgeschreven: n.i.fui.]
's-Gravenhage, 22 Mei 1942.
Mijne Heeren,
Ten vervolge op onze circulaire no. 596/'41 dd. 10 December 1941 deelen wij U mede, dat bij Tuchtbeschikking van de Inspectie voor de Prijsbeheersching het aan onderstaande personen, gedurende het tijdvak, achter den naam vermeld, verboden is het beroep van handelaar in groenten en fruit in den ruimsten zin des woords uit te oefenen.
Wij verzoeken U, voor zoover het Uw veiling aangaat, de noodige maatregelen te treffen, als bedoeld in bovengenoemde circulaire.
Daniël de Mooy, Soestdijkschekade 695, 's-Gravenhage, grossier, van 26-5-'42 t/m. 25-8-'42.
Willem v.d. Eykel, Koestraat 51, Rijnsburg, grossier, van 27-5-'42 t/m. 26-5-'43.
Bernardus Anthonius Pouw, Badhoevelaan 47, Badhoevedorp, grossier, van 26-5-'42 t/m. 25-5-'43.
Hendrik Theodoor Papavoine, Elandstraat 121, Amsterdam, grossier, van 26-5-'42 t/m. 25-5-'44.
Albertus v.d. Mey, Noordwijkerweg 4, Katwijk, grossier, van 26-5-'42 t/m. 25-5-'43.
Jan Klijn, Z 208, Wognum, grossier, van 27-5-'42 t/m. 26-5-'44.
Jacobus Richter, Huidenstraat 22, Amsterdam, grossier, van 27-5-'42 t/m. 26-7-'42.
Hendrikus Arie van Berkel, van Grobbendonckstraat 42, Tilburg, Detaillist, van 10-4-'42 t/m. 9-12-'42.
Arend Jan Veldhoen, H 58a, Voorst, detaillist, van 26-5-'42 t/m. 7- 7-'42.
De schorsingen van J.J.H. Spauwen, handelende onder den naam Fa. Gebr. Spauwen, Wilhelminastraat 14 te Eysden en Joos Blok, Lange Kerkstraat 94 te Terneuzen zijn geëindigd. Derhalve mogen genoemde firma's weder normaal aan den handel in groenten en fruit deelnemen en mogen de veilingen hun producten toewijzen.
Hoogachtend,
NEDERLANDSCHE GROENTEN- EN FRUITCENTRALE:
[Onleesbare handtekening links] [Handtekening rechts, mogelijk: J. Muller]
[Linksonder stempel/logo met:] 19026 - '41 - K 983
[Rechtsonder handgeschreven:] 105 Dit document is een administratieve kennisgeving van de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale (NGFC) aan de Nederlandse veilingen tijdens de Duitse bezetting. De kern van de brief is het handhaven van beroepsverboden voor specifieke handelaren (grossiers en detaillisten) naar aanleiding van "Tuchtbeschikkingen".
Belangrijke elementen:
1. Handhavingsmechanisme: De uitoefening van het beroep wordt verboden voor periodes variërend van enkele maanden tot twee jaar. Dit wijst op een streng controlesysteem op de distributieketen.
2. Inspectie voor de Prijsbeheersching: Dit was het orgaan dat toezag op de naleving van prijsvoorschriften. De straffen in deze brief zijn hoogstwaarschijnlijk het gevolg van overtredingen zoals prijsopdrijving of handel op de zwarte markt.
3. Rehabilitatie: De brief vermeldt expliciet dat twee handelaren (Spauwen en Blok) hun straf hebben uitgezeten en weer volledig mogen deelnemen aan het handelsverkeer. Dit toont de bureaucratische nauwkeurigheid van het toewijzingssysteem.
4. Geografische spreiding: De genoemde personen komen uit het hele land (Den Haag, Rijnsburg, Amsterdam, Tilburg, etc.), wat de nationale reikwijdte van de NGFC illustreert. Tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) werd de Nederlandse economie door de bezetter strak gereguleerd via een distributiestelsel. De Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale werd in 1940 opgericht als een dwingendrechtelijke organisatie waarbij alle producenten en handelaren zich moesten aansluiten.
Het doel van deze centrale, en de nauw samenwerkende Inspectie voor de Prijsbeheersching, was om de voedselvoorziening te controleren, prijsstijgingen tegen te gaan en de export naar Duitsland te waarborgen. Handelaren die buiten het systeem om werkten (zwarte handel) of zich niet aan de vastgestelde prijzen hielden, werden zwaar gestraft met tijdelijke of permanente beroepsverboden. Dit document is een direct bewijs van de economische 'tuchtrechtspraak' en de uitsluiting van individuen uit het economische leven als sanctiemiddel. J. Muller J.J.H. Spauwen