Doorslag van een officiële brief (besluit).
Origineel
Doorslag van een officiële brief (besluit). 1 februari 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). [Rechtsboven, handgeschreven:]
Zen. M. de Haan. [of mogelijk: Gez. M. de Haan]
[Midden boven:]
VP/HG. Extra [handgeschreven]
[Links:]
25/247/2 M.
[Rechts:]
1 Februari 1940.
[Adresblok:]
den Heer J.Wijnschenk,
Ceintuurbaan 290,
Amsterdam-Zuid.
Wijk 22.
[Inhoud:]
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 28 December
jl. verleen ik U hierbij gedurende ten hoogste zes maanden
na dato dezes toestemming om zich op Uw plaats op de markt
Albert Cuypstraat te laten bijstaan en, voor zoo ver
noodig, -- doch alleen na voorafgaand overleg met den dienst
doenden marktambtenaar -- te laten vervangen door H.Kloots.
[Ondertekening:]
De Directeur, In deze brief verleent de directeur van de betreffende gemeentelijke dienst toestemming aan de heer J. Wijnschenk om zich op zijn standplaats op de Albert Cuypmarkt te laten helpen of te laten vervangen. De toestemming is tijdelijk (maximaal zes maanden vanaf de datum van de brief) en specifiek gebonden aan een persoon: H. Kloots. Voor vervanging is bovendien expliciet overleg met de aanwezige marktambtenaar vereist.
Het document weerspiegelt de strikte regulering van de Amsterdamse straatmarkten in die tijd. Standplaatshouders mochten niet zomaar hun plek aan derden overlaten; elke vorm van hulp of vervanging moest officieel worden aangevraagd en goedgekeurd. De brief is gedateerd op 1 februari 1940, slechts drie maanden voor de Duitse inval in Nederland. De locatie, de Albert Cuypmarkt in de Amsterdamse Pijp, was en is een van de belangrijkste markten van de stad.
De naam J. Wijnschenk (Joseph Wijnschenk, die inderdaad op Ceintuurbaan 290 woonde) is een Joodse naam. Veel Joodse Amsterdammers waren werkzaam in de ambulante handel en op de markten. In de loop van 1941, tijdens de bezetting, zouden Joodse marktkooplieden door anti-Joodse maatregelen van de bezetter worden verdreven van algemene markten zoals de Albert Cuyp en gedwongen worden te verhuizen naar specifieke "Joodse markten". Dit document stamt uit de korte periode van relatieve rust vlak voor het uitbreken van de oorlog in Nederland, waarin de normale administratieve processen van de gemeente nog volledig in werking waren. De handgeschreven notitie "Extra" en de paraaf rechtsboven wijzen op de administratieve verwerking binnen het archief van de betreffende dienst.