Archiefdocument
Origineel
-2-
Ik bevorder verder niet, dat agenten visch kunnen koopen, ook niet in burger na diensttijd. Ze trachten dit wel te doen, maar het lukt ze niet. Sedert 2 à 3 maanden laat ik niet meer toe, dat de Politie in de loods komt! Ik heb daartoe van den Inspecteur opdracht gekregen.
De klacht der dames is onwaar; dit verklaar ik ambtseedig; de bewering van deze dames, dat er 4 kg. aal van 4 kisten is gekomen is toch absurd. Daaruit blijkt, reeds de waanzinnigheid van deze klacht. Het publiek verdiept zich steeds in allerlei veronderstellingen, die kant noch wal raken. Daar zijn wij reeds lang aan gewoon. Ik werk veel met den brigadier Maas. Deze is zeer strenge chef voor de agenten. Hij is wel eens met adspiranten buiten geweest ter contrôle op agenten. Ik weet niet of deze adspiranten visch hebben gekocht. Ze hadden wel tassschen bij zich.
Verkoop Fleysman en Visser geschiedt aan klanten. Echter ook altijd voor een deel aan de rij, hoewel ze dit volgens voorschrift voor winkeliers niet behoeven te doen.
Directeur vraagt of het ook mogelijk is, dat visch van de overige handelaren over gaat aan Fleysman en Visser.
De Wolff: "Dit kan ik niet beoordeelen!" Ik heb sterk den indruk van niet.
De Wolff zegt nog, dat de brigadier Maas zeer positief is in zijn meening. Hij zegt: Ik neem geen visch en ik wil ook niet, dat mijn menschen het doen el als ik het zou merken gaan ze op den bon. De Wolff weet wel zeker, dat deze brigadier dan ook geen visch koopt.
Op 31 Mei jl. hebben zij De Wolff in verband met bovenstaand verhoor nader gehoord, waarvan het volgende verslag is gemaakt.
De Wolff ontkent pertinent, dat hij van "vreten" zou hebben gesproken. Deze term zou hij principieel nooit gebruiken. Wel is het mogelijk, dat hij zich in dezen geest tegen het publiek heeft uitgelaten, met dien verstande, dat hij dan van "eten" heeft gesproken. Het publiek is zeer lastig en uit allerlei veronderstellingen, waarop De Wolff dan steeds met een sneer antwoordt; dat ligt nu eenmaal in zijn karakter.
Op onze vraag, of er werkelijk in het geheel geen keus bij den vischverkoop wordt gelaten, antwoordt De Wolff beslist ontkennend. Slechts wordt degenen, die de groote, dus dure visch niet kunnen betalen, toegestaan om de kleinere te nemen, wanneer zij aan de beurt zijn. Andersom heeft hij nooit toegestaan.
De Wolff handhaaft zijn gezegde, dat hij niemand tot de vischloodsen toeliet, die daar niet behoorde te zijn, ook geen agenten. Hij wijst er evenwel op, dat hij in de 2 loodsen niet steeds alles kan overzien. Hij deelt verder mede, dat gedurende den verkoop van de marktkooplieden ook de verkoop van de halhouders Fleysman en Visser aan hun vaste klanten veelal doorging. Hiertegen heeft hij in verband met de orde meermalen bezwaar gemaakt, doch hij kon het niet steeds voorkomen, omdat Fleysman en Visser vaak 's middags weer aan de Vischmarkt moesten zijn om bijv mosselen te laden. Zij moesten dan wel tegelijk met de in hun loods verkoopende kooplieden uitverkoopen. Natuurlijk reageerde het publiek steeds scherp, wanneer de klanten van Fleysman en Visser door dezen de loodsen werden ingeroepen. De Wolff wees er dan steeds op, dat het hier een verkoop van halhouders aan hun vaste klanten betrof. Vanzelfsprekend geloofde het publiek dit niet!
Ten aanzien van de voorrangskaarten van den Nederlandschen Volksdienst deelde De Wolff mede, dat hij den laatsten dag, dat hij met den vischverkoop op de Lindengracht was belast, zelfs 60
--- Dit document is een verslag van een verhoor van de heer De Wolff, die blijkbaar toezicht hield op de visverkoop in loodsen (waarschijnlijk aan de Lindengracht in Amsterdam). De kern van het document draait om de verdediging van De Wolff tegen beschuldigingen van onregelmatigheden en corruptie:
- Beleving van de Politie: Er is sprake van agenten die buiten hun diensttijd vis proberen te kopen. De Wolff ontkent dat dit wordt toegestaan en beroept zich op een verbod van de Inspecteur.
- Klachten van het publiek: Er is een specifieke klacht van "dames" over verdwenen aal (paling). De Wolff doet dit af als "waanzinnig" en "absurd". Hij typeert het publiek als lastig en wantrouwig.
- Bejegening: De Wolff wordt ervan beschuldigd de term "vreten" te hebben gebruikt richting het publiek. Hij ontkent dit woordgebruik, maar geeft toe dat hij met een "sneer" reageert vanwege zijn karakter en de lastige houding van de mensen.
- Handelaren Fleysman en Visser: Er is wrijving over het feit dat deze handelaren hun "vaste klanten" hielpen terwijl anderen in de rij stonden, wat leidde tot onrust en beschuldigingen van voortrekkerij.
--- Het document moet geplaatst worden in de context van de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). De schaarste aan voedsel leidde tot strikte distributieregels en een enorme sociale spanning bij marktplaatsen.
- Voedselschaarste: Vis was een belangrijk onderdeel van het menu toen vlees schaarser werd, maar ook hier ontstonden tekorten en zwarte handel.
- Nederlandsche Volksdienst (NVD): De vermelding van voorrangskaarten van de NVD is cruciaal. De NVD was een nationaalsocialistische organisatie die de sociale zorg in Nederland moest overnemen naar Duits model (Winterhulp). Dat houders van deze kaarten voorrang kregen bij de visverkoop, was een bron van grote frustratie en woede onder de bevolking, wat het wantrouwen tegenover functionarissen zoals De Wolff verklaart.
- Corruptie en Controle: Het document illustreert de constante angst voor corruptie door de politie en de noodzaak voor ambtsseedige verklaringen om de integriteit van de distributie te waarborgen. De Wolff (De heer) Politie Winterhulp