Getypt verslag van een verhoor/getuigenverklaring.
Origineel
Getypt verslag van een verhoor/getuigenverklaring. Op 31 Mei jl. hebben zij De Wolff in verband met bovenstaand verhoor nader gehoord, waarvan het volgende verslag is gemaakt.
De Wolff ontkent pertinent, dat hij van "vreten" zou hebben gesproken. Deze term zou hij principieel nooit gebruiken. Wel is het mogelijk, dat hij zich in dezen geest tegen het publiek heeft uitgelaten, met dien verstande, dat hij dan van "eten" heeft gesproken. Het publiek is zeer lastig en uit allerlei veronderstellingen, waarop De Wolff dan steeds met een sneer antwoordt; dat ligt nu eenmaal zijn karakter.
Op onze vraag, of er werkelijk in het geheel geen keus bij den vischverkoop wordt gelaten, antwoordt De Wolff beslist ontkennend. Slechts wordt degenen, die de groote, dus dure, visch niet kunnen betalen, toegestaan om de kleinere te nemen, wanneer ze aan de beurt zijn. Andersom heeft hij nooit toegestaan.
De Wolff handhaaft zijn gezegde, dat hij niemand tot de vischloodsen toeliet, die daar niet behoorde te zijn, ook geen agenten. Hij wijst er evenwel op, dat hij in de 2 loodsen niet steeds alles kan overzien. Hij deelt verder mede, dat gedurende den verkoop van de marktkooplieden ook de verkoop van de halhouders Fleysman en Visser aan hun vaste klanten veelal doorging. Hiertegen heeft hij in verband met de orde meermalen bezwaar gemaakt, doch hij kon het niet steeds voorkomen, omdat Fleysman en Visser vaak 's middags weer aan de Vischmarkt moesten zijn om bijv. mosselen te laden. Zij moesten dan wel tegelijk met de in hun loods verkoopende kooplieden uitverkoopen. Natuurlijk reageerde het publiek steeds scherp, wanneer de klanten van Fleysman en Visser door dezen de loodsen werden ingeroepen; De Wolff wees er dan steeds op, dat het hier een verkoop van halhouders aan hun vaste klanten betrof.
Vanzelfsprekend geloofde het publiek dit niet!
Ten aanzien van de voorrangskaarten van den Nederlandschen Volksdienst deelde De Wolff mede, dat hij den laatsten dag, dat hij met den vischverkoop op de Lindengracht was belast, zelfs Het document is een verslag van een verhoor van een zekere De Wolff, die waarschijnlijk een toezichthoudende functie had bij de visverkoop op de Amsterdamse Lindengracht. De Wolff moet zich verantwoorden voor drie zaken:
1. Onbehoorlijk gedrag: Hij wordt ervan beschuldigd het volkse woord "vreten" te hebben gebruikt. Hij ontkent dit, maar geeft toe dat hij "snerend" reageert op het publiek vanwege zijn karakter.
2. Beperking van keuzevrijheid: Er is onvrede over het feit dat klanten niet zelf hun vis mogen kiezen. De Wolff nuanceert dit door te stellen dat alleen minder draagkrachtigen een kleinere (goedkopere) vis mogen kiezen.
3. Onregelmatigheden in de loodsen: Er is sprake van onrust onder het publiek omdat bepaalde handelaren (Fleysman en Visser) hun "vaste klanten" bevoordelen terwijl anderen in de rij staan. De Wolff claimt dat hij hiertegen ageerde voor de orde, maar dat de praktijk weerbarstig was.
De tekst eindigt abrupt bij de bespreking van "voorrangskaarten". De historische context is die van de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). Dit blijkt onomstotelijk uit de vermelding van de Nederlandschen Volksdienst (NV). De NV was een nationaalsocialistische hulporganisatie, opgericht in 1941 naar Duits model (Winterhilfe), die onder meer belast was met de distributie van extra rantsoenen of voorrangsregelingen voor hun achterban.
Het document schetst de grimmige sfeer op de Amsterdamse markten tijdens de oorlogsjaren: schaarste, strikte regulering, vermeende vriendjespolitiek en grote spanningen tussen het hongerige publiek ("het publiek geloofde dit niet!") en de ambtenaren of marktmeesters die de distributie moesten uitvoeren. De Lindengracht was en is een centrale marktlocatie in de Jordaan, een buurt die tijdens de oorlog zwaar getroffen werd door voedseltekorten.