Ambtelijk rapport / Beleidsvoorstel.
Origineel
Ambtelijk rapport / Beleidsvoorstel. ~~Inschrijven~~
Doss. No. 29/75/2 M. 1943 31/12
Onderwerp:
Voorstel tot opheffing der
Nieuwmarkt en weder
ingebruikneming der
Waterloopleinmarkt
Den Heer Inspecteur
v/h Marktwezen
Alhier.
Rapport.
Dienstdoende op de Nieuwmarkt, is het mij opgevallen, dat vrijwel de meeste "marktbezoekers" in werkelijkheid "verkapte kooplieden" zijn.
Velen van hen loopen over de markt met een kleedingstuk over den arm of een paar schoenen in de hand, welke goederen op slinksche wijze door hen verkocht trachten te worden, weer anderen zijn voorzien van een handkoffer met inhoud, een vierde groep slentert over de markt en drijft een geheimzinnigen levensmiddelenbonnenhandel, terwijl een vijfde groep haar pionnen heeft uitgezet, die het komende publiek trachten te overreden om "iets" aan hen te verkoopen.
Alhoewel het ontegenzeggelijk vele moeilijkheden medebrengt om op doeltreffende wijze tegen dit soort handelaren op te treden, één feit is mij echter, dat de terreinligging en de terreinindeeling der markt in ernstige mate het kwaad ten goede komt.
De Nieuwmarkt is nl. het middelpunt, waar veel obscure straatjes en steegjes op uitmonden. Deze steegjes zijn a.h.w. bezaaid met duistere cafeetjes, waarin het in den regel overvol is. In deze zaakjes wordt door de marktbezoekers, alias kooplieden "handel" gedreven. De Nieuwmarkt is het verlengstuk dezer kroegen, waar den handel leeft.
De terreinindeeling der markt is het evenbeeld van de steegjes en slofjes, die om de Nieuwmarkt liggen: het marktterrein is nl. ingedeeld in een 25-tal eilandjes, op welke stukjes een 150-tal kooplieden een plaats is toegewezen. De doorgangen tusschen de kramen zijn met de steegjes en slofjes te vergelijken en doen voor de ongure elementen denzelfden dienst. In dit rapport beklaagt een ambtenaar (vermoedelijk een marktmeester of politieagent) zich over de ordehandhaving op de Amsterdamse Nieuwmarkt. De kern van het probleem is de overvloed aan illegale handel door "verkapte kooplieden".
De rapporteur noemt drie specifieke vormen van overlast:
1. Sluikhandel: De verkoop van kleding en schoenen "onder de arm".
2. Bonnenhandel: De illegale handel in distributiebonnen (voedselbonnen).
3. Opkoop: Personen die het publiek benaderen om goederen van hen te kopen (waarschijnlijk om deze op de zwarte markt weer duurder te verkopen).
De argumentatie voor de verplaatsing is stedenbouwkundig van aard. De auteur stelt dat de structuur van de Nieuwmarkt (een open plein omringd door nauwe steegjes en "duistere cafeetjes") uitnodigt tot criminaliteit. De indeling van de markt zelf in "eilandjes" creëert bovendien extra vluchtwegen en schuilplaatsen ("slofjes") voor deze "ongure elementen". Het document dateert van december 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze context is cruciaal voor het begrijpen van de inhoud:
- Zwarte markt: Vanwege de schaarste en distributie was er een enorme zwarte markt ontstaan. De handel in levensmiddelenbonnen was een ernstig vergrijp waar de bezetter en de lokale politie streng op to zagen.
- Waterlooplein: De suggestie om terug te keren naar het Waterlooplein is wrang. De markt op het Waterlooplein was voor de oorlog het centrum van de Joodse handel in Amsterdam. Na de deportaties van de Joodse bevolking in 1942 en 1943 lag het plein er grotendeels verlaten bij. De overheid zocht naar manieren om de handel te reguleren in gebieden die makkelijker te controleren waren ("overzichtelijker") dan de middeleeuwse wirwar van de Nieuwmarkt.
- Taalgebruik: Woorden als "slofjes" (smalle gangen of doodlopende steegjes) zijn typisch voor de Amsterdamse volkstaal en de ambtelijke terminologie van die tijd.