Brief (handgeschreven)
Origineel
Brief (handgeschreven) 11 januari 1943 H. Blitz-Vischjager (weduwe), Uithoornstraat 38 huis, Amsterdam Amsterdam 11 Januari 1943
No. 103/6/1M. 1943 12/I
199
WelEdel Heer
U Schrijven heb ontvange over
het MarktGeld. Daar mijn Man
is overleden en ik Ziek ben geweest
Zoo was ik nog niet in de gelegenheid
Om mijn Marktgeld te betalen
maar Zoo gauw ik weer op straat
mag dan Zal ik aan mijn Verplich-
ten voldoen op de Markt in de
Gaaspstraat in de hoop dat u
van mijn Ziekte notitie Zal
nemen —
Hoogachten Wede.
H. Blitz Vischjager
Uithoornstraat 38 Huis * Inhoud: De schrijfster, de weduwe H. Blitz-Vischjager, reageert op een schrijven (waarschijnlijk een aanmaning) betreffende het betalen van marktgeld. Zij verontschuldigt zich voor de vertraging; haar echtgenoot is overleden en zij is zelf ziek geweest. Ze belooft te betalen zodra ze weer "op straat mag" (weer in staat is te werken/buiten te komen).
* Taalgebruik: Het Nederlands is formeel maar bevat enkele spreektaalvormen en spellingvariaties die typerend zijn voor die tijd en sociale context (bijv. "ontvange" in plaats van "ontvangen", "Zoo" met hoofdletter en dubbele 'o').
* Status: Het document is officieel ingeboekt, getuige het stempel met referentienummer en de handgeschreven paraaf/notitie (mogelijk "vid." van videri/gezien) rechtsboven de tekst. Deze brief stamt uit januari 1943, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De context is zeer specifiek:
1. Locatie: De Gaaspstraat in Amsterdam-Zuid was vanaf november 1941 een van de aangewezen locaties voor "Joodse markten". Joodse handelaren mochten alleen nog op deze markten hun waar verkopen aan een uitsluitend Joods publiek.
2. Persoon: De achternaam "Blitz" is een veelvoorkomende Joodse naam in Amsterdam. Het feit dat zij op de markt in de Gaaspstraat werkt, bevestigt dat dit een schrijven is van een Joodse marktkoopvrouw aan de (waarschijnlijk door de bezetter gecontroleerde) marktautoriteiten.
3. Historische waarde: Het document illustreert de schrijnende situatie van individuen tijdens de bezetting. Ondanks persoonlijk verlies (overlijden echtgenoot) en ziekte, bleef de administratieve druk van de overheid (het innen van marktgeld) onverbiddelijk doorgaan. De zinsnede "weer op straat mag" kan duiden op herstel van ziekte, maar in 1943 had dit voor Joodse Amsterdammers ook een zwaardere lading vanwege de steeds strengere beperkingen van de bewegingsvrijheid en de dreiging van deportatie. H. Blitz
Samenvatting
- Inhoud: De schrijfster, de weduwe H. Blitz-Vischjager, reageert op een schrijven (waarschijnlijk een aanmaning) betreffende het betalen van marktgeld. Zij verontschuldigt zich voor de vertraging; haar echtgenoot is overleden en zij is zelf ziek geweest. Ze belooft te betalen zodra ze weer "op straat mag" (weer in staat is te werken/buiten te komen).
- Taalgebruik: Het Nederlands is formeel maar bevat enkele spreektaalvormen en spellingvariaties die typerend zijn voor die tijd en sociale context (bijv. "ontvange" in plaats van "ontvangen", "Zoo" met hoofdletter en dubbele 'o').
- Status: Het document is officieel ingeboekt, getuige het stempel met referentienummer en de handgeschreven paraaf/notitie (mogelijk "vid." van videri/gezien) rechtsboven de tekst.
Historische Context
Deze brief stamt uit januari 1943, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De context is zeer specifiek:
1. Locatie: De Gaaspstraat in Amsterdam-Zuid was vanaf november 1941 een van de aangewezen locaties voor "Joodse markten". Joodse handelaren mochten alleen nog op deze markten hun waar verkopen aan een uitsluitend Joods publiek.
2. Persoon: De achternaam "Blitz" is een veelvoorkomende Joodse naam in Amsterdam. Het feit dat zij op de markt in de Gaaspstraat werkt, bevestigt dat dit een schrijven is van een Joodse marktkoopvrouw aan de (waarschijnlijk door de bezetter gecontroleerde) marktautoriteiten.
3. Historische waarde: Het document illustreert de schrijnende situatie van individuen tijdens de bezetting. Ondanks persoonlijk verlies (overlijden echtgenoot) en ziekte, bleef de administratieve druk van de overheid (het innen van marktgeld) onverbiddelijk doorgaan. De zinsnede "weer op straat mag" kan duiden op herstel van ziekte, maar in 1943 had dit voor Joodse Amsterdammers ook een zwaardere lading vanwege de steeds strengere beperkingen van de bewegingsvrijheid en de dreiging van deportatie.