Officiële circulaire (pagina 4 van een groter document).
Origineel
Officiële circulaire (pagina 4 van een groter document). 2 juli 1943. Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale. - 4 - Circ. No. 63/'43 dd. 2 Juli 1943.
ZAAIUIEN.
Het oogsten en veilen van alle zaaiuien, waaronder ook te verstaan gezaaide pootuien, is tot nader order verboden.
APPELEN, PEREN EN PRUIMEN.
De prijzen en groepenindeeling van deze producten zijn voorloopig dezelfde als in Augustus '42 waren vastgesteld.
Voor de prijzen verwijzen wij U naar onze circulaire No. 346/42 dd. 7 Augustus 1942.
Voor de groepenindeeling mogen wij U verwijzen naar de bijlage bij circulaire No. 325/42 dd. 24 Juli '42 en voor de aanvullingen hierop naar de circulaires No. 334/42 en 357/42 resp. van 31 Juli en 15 Augustus 1942.
NEDERLANDSCHE GROENTEN- EN FRUITCENTRALE:
[Twee handtekeningen] Dit document is een administratief bevel gericht aan telers en handelaren in de land- en tuinbouwsector. Het document valt uiteen in twee hoofddelen:
- Regulering van Zaaiuien: Er wordt een onmiddellijk verbod ingesteld op het oogsten en veilen van zaaiuien (inclusief gezaaide pootuien). Dit duidt op een centrale interventie om de markttoevoer volledig te beheersen, waarschijnlijk om voorraden te inventariseren of om prijsstijgingen door schaarste te voorkomen.
- Continuering van Fruitprijzen: Voor appelen, peren en pruimen wordt bepaald dat de regels van het voorgaande jaar (1942) van kracht blijven. De tekst is zeer bureaucratisch van aard en leunt zwaar op kruisverwijzingen naar eerdere circulaires (No. 346/42, 325/42, 334/42 en 357/42). Dit wijst op een complexe, vastgelegde mazenstructuur van regelgeving waar de sector zich aan moest houden. Dit document stamt uit juli 1943, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale (NGF) was een door de bezetter gecontroleerd orgaan (onderdeel van de Akkerbouw- en Tuinbouwcentrales) dat de totale productie en distributie van tuinbouwproducten reguleerde.
In deze fase van de oorlog was de voedselvoorziening kritiek. De bezetter streefde naar een strakke regie over de voedselstromen om drie redenen:
1. Beheersing van de binnenlandse markt: Voorkomen van zwarte handel door vaste prijzen en veilingplichten.
2. Export naar Duitsland: Een aanzienlijk deel van de Nederlandse oogst werd opgeëist voor de Duitse eigen behoefte en de Wehrmacht.
3. Rantsoenering: Het garanderen van een minimale basisvoorziening voor de Nederlandse bevolking via het distributiestelsel.
Het verbod op het oogsten van uien "tot nader order" is kenmerkend voor de oorlogseconomie, waarbij de overheid (onder Duitse supervisie) op elk moment kon besluiten om de distributie stil te leggen om strategische voorraden veilig te stellen. De verwijzingen naar regels uit 1942 tonen aan dat de bezettingseconomie in 1943 reeds volledig was uitgekristalliseerd in een rigide bureaucratisch systeem. Wehrmacht