Archiefdocument
Origineel
21 juli 1944. De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst belast met marktwezen of economische zaken). Den Heer Directeur van het Bedrijfschap voor Visscherijproducten, 2e Adelheidstraat 300, 's-Gravenhage (ZH). 46a/94/3M. VD/SV.
21 Juli 1944.
den Heer Directeur van het Be-
drijschap voor Visscherijproducten,
2e Adelheidstraat 300,
's-G r a v e n h a g e (ZH).
Naar aanleiding van Uw brieven d.d. 19 Mei en 5
Juli jl. no.'s 11344AZ/ en 14539AZ/Ho. bericht ik U, dat de
kleinhandelaar in visch P. Vrees Sr sedert den aanvang der
verdeeling van visch te dezer stede, dit is Mei 1942, is in-
gedeeld geweest als marktkoopman.
Wel is waar heeft Vrees gedurende zijn bestaan als
vischkoopman verschillende winkels geexploiteerd, doch de
laatste jaren voor den oorlog verkocht hij zijn visch in
hoofdzaak op de dagmarkt Lindengracht. Daarnaast had hij,
zooals verschillende kooplieden van de Lindengracht een berg-
loods in huur, waaruit echter uitsluitend op Zondag, wanneer
de markt niet werd gehouden, aal werd verkocht. Op werkdagen
werd de loods voor den verkoop van visch niet gebruikt.
Vrees beroept er zich thans op, dat de kooplieden
Fleysman en Visser, die voor den oorlog in dezelfde omstandig-
heden verkeerden als Vrees, thans wel vanuit hun hal de hun
toegewezen visch verkoopen. Ik merk ten aanzien hiervan
echter op, dat deze twee kooplieden vanaf den aanvang der
verdeeling is toegestaan hun visch vanuit hun loods te ver-
koopen. Vrees beroept zich ook op de kortelings aan C. van
Bambergen verleende vestigingsvergunning als winkelier.
Ook Bambergen was voor den oorlog als winkelier niet bekend;
hij heeft eerst in den loop van 1943 een zaak geopend. Ik
heb destijds op deze aanvrage dan ook een afwijzend advies
uitgebracht.
Voor de goede orde moet ik erop wijzen, dat wanneer
het verzoek van Vrees zou worden ingewilligd, dit mogelijk
consequenties voor andere, soortgelijke kooplieden van de
Lindengracht kan hebben. (Bosbaan, Y. Goedhart).
Er bestaat voor mij geen enkele aanleiding mijn af-
wijzend standpunt ten aanzien van uitbreiding van het aantal
winkeliers, welk standpunt meermalen te Uwer kennis is ge-
bracht, thans te wijzigen.
De zaak van de firma Izaaks-Wessel (no.11690) werd
inmiddels door mij reeds afgedaan.
De Directeur, * Kern van het geschil: P. Vrees Sr., een visverkoper, maakt bezwaar tegen zijn indeling als "marktkoopman". Hij wil erkend worden als "winkelier", wat hem het recht zou geven om vanuit een vaste locatie (zijn bergloods) te verkopen in plaats van op de markt.
* Argumenten van Vrees: Hij verwijst naar precedentwerking: andere kooplieden (Fleysman, Visser en Bambergen) hebben wel toestemming gekregen om vanuit een hal of loods te verkopen, terwijl hun situatie voor de oorlog vergelijkbaar was met de zijne.
* Standpunt van de Directeur: De directeur wijst het verzoek resoluut af. Hij stelt dat Vrees voor de oorlog hoofdzakelijk op de markt (Lindengracht) stond en de loods alleen op zondag voor palingverkoop gebruikte.
* Bureaucratsche weerstand: De directeur is bang voor een sneeuwbaleffect ("consequenties voor andere..."). Hij geeft expliciet aan dat hij ook tegen de vergunning van Bambergen was en dat hij het aantal erkende "winkeliers" niet wil uitbreiden.
* Genoemde personen/zaken: P. Vrees Sr., Fleysman, Visser, C. van Bambergen, Bosbaan, Y. Goedhart, en de firma Izaaks-Wessel. De locatie is de Lindengracht, een bekende Amsterdamse markt. Dit document stamt uit juli 1944, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De context is die van de oorlogseconomie en distributie.
Vanaf 1940 werd de handel in Nederland strak gereguleerd door de bezetter en de Nederlandse overheidsorganen die onder hun toezicht stonden (de "ordening"). Het genoemde Bedrijfschap voor Visscherijproducten was een dergelijk orgaan dat toezicht hield op de productie en distributie van vis.
Omdat goederen schaars waren, was alles aan banden gelegd via een distributiesysteem. De status van een handelaar (marktkoopman vs. winkelier) bepaalde hoeveel product hij toegewezen kreeg en onder welke voorwaarden hij dit mocht verkopen. De Lindengracht in de Amsterdamse Jordaan was (en is) een belangrijke marktlocatie. De brief illustreert de starre bureaucreatie en de bittere strijd van kleine ondernemers om hun hoofd boven water te houden in een tijd van extreme schaarste en strikte overheidscontrole, slechts enkele maanden voor de Hongerwinter.