Archief 745
Inventaris 745-283
Pagina 190
Dossier 25
Jaar 1939
Stadsarchief

Ambtelijke brief/advies van een marktopzichter.

1 februari 1939. Van: J. Renz, Marktopzichter.

Origineel

Ambtelijke brief/advies van een marktopzichter. 1 februari 1939. J. Renz, Marktopzichter. Waterlooplein / 1 Febr: 1939

Den Heer
Inspecteur

Aangaande het verzoek van Dhr: H. J. Bushel
pl: n.º 192 om assistentie, zou ik U in overweging
willen geven, het verzoek niet toe te staan. De
reden om het niet toe te staan is m. i. : dat
Rabinowitsh buitenlander is, ten tweede is het
Bushel zijn compagnon, en ten derde is
Rabinowitsh reeds assistent en vervanger
van Mevr: Boas pl: 48 Dapperstraat. –

Marktopz.
J. Renz In dit document adviseert de marktopzichter van het Waterlooplein, J. Renz, de Inspecteur van het Marktwezen om een verzoek van standplaatshouder H.J. Bushel af te wijzen. Bushel had gevraagd om een assistent (Rabinowitsh) te mogen aanstellen voor zijn kraam op het Waterlooplein (plaats nr. 192).

De opzichter voert drie specifieke bezwaren aan:
1. Nationaliteit: De beoogde assistent, Rabinowitsh, is een "buitenlander". In de context van 1939 was dit een gevoelig punt in de regelgeving.
2. Zakelijke relatie: Rabinowitsh is de compagnon (zakenpartner) van Bushel, wat mogelijk in strijd was met de regels die een strikt onderscheid maakten tussen een standplaatshouder en een (ondergeschikte) assistent.
3. Dubbele functie: Rabinowitsh is op dat moment al werkzaam als assistent en vervanger voor een andere standplaatshouder (Mevr. Boas) op de Dappermarkt (plaats nr. 48). Cumulatie van functies op verschillende markten werd blijkbaar niet toegestaan of onwenselijk geacht.

De toon van de brief is zakelijk en ambtelijk-sturend ("zou ik U in overweging willen geven"). Dit document stamt uit februari 1939, een periode van grote politieke en sociale spanning in Amsterdam. De markten op het Waterlooplein en in de Dapperstraat waren centraal gelegen in wijken met een grote Joodse bevolking. Veel marktkooplieden en hun assistenten waren Joods, waaronder ook veel vluchtelingen uit nazi-Duitsland en Oost-Europa (de "buitenlanders" waar de brief naar verwijst).

De Amsterdamse marktverordeningen waren in deze tijd zeer strikt om de concurrentie te reguleren en toezicht te houden op wie er op de markt mocht werken. Het feit dat iemand als "buitenlander" werd aangemerkt, was in de late jaren '30 vaak een bureaucratisch obstakel voor het verkrijgen van werkvergunningen of standplaatsrechten.

Namen zoals Bushel, Rabinowitsh en Boas zijn typisch voor de sociaaleconomische structuur van de Amsterdamse markten in die tijd. De brief illustreert de nauwkeurige administratieve controle die de gemeente Amsterdam uitoefende op de kleinhandel, vlak voordat de Duitse bezetting de regels voor Joodse markthandelaren drastisch en fataal zou veranderen.

Samenvatting

In dit document adviseert de marktopzichter van het Waterlooplein, J. Renz, de Inspecteur van het Marktwezen om een verzoek van standplaatshouder H.J. Bushel af te wijzen. Bushel had gevraagd om een assistent (Rabinowitsh) te mogen aanstellen voor zijn kraam op het Waterlooplein (plaats nr. 192).

De opzichter voert drie specifieke bezwaren aan:
1. Nationaliteit: De beoogde assistent, Rabinowitsh, is een "buitenlander". In de context van 1939 was dit een gevoelig punt in de regelgeving.
2. Zakelijke relatie: Rabinowitsh is de compagnon (zakenpartner) van Bushel, wat mogelijk in strijd was met de regels die een strikt onderscheid maakten tussen een standplaatshouder en een (ondergeschikte) assistent.
3. Dubbele functie: Rabinowitsh is op dat moment al werkzaam als assistent en vervanger voor een andere standplaatshouder (Mevr. Boas) op de Dappermarkt (plaats nr. 48). Cumulatie van functies op verschillende markten werd blijkbaar niet toegestaan of onwenselijk geacht.

De toon van de brief is zakelijk en ambtelijk-sturend ("zou ik U in overweging willen geven").

Historische Context

Dit document stamt uit februari 1939, een periode van grote politieke en sociale spanning in Amsterdam. De markten op het Waterlooplein en in de Dapperstraat waren centraal gelegen in wijken met een grote Joodse bevolking. Veel marktkooplieden en hun assistenten waren Joods, waaronder ook veel vluchtelingen uit nazi-Duitsland en Oost-Europa (de "buitenlanders" waar de brief naar verwijst).

De Amsterdamse marktverordeningen waren in deze tijd zeer strikt om de concurrentie te reguleren en toezicht te houden op wie er op de markt mocht werken. Het feit dat iemand als "buitenlander" werd aangemerkt, was in de late jaren '30 vaak een bureaucratisch obstakel voor het verkrijgen van werkvergunningen of standplaatsrechten.

Namen zoals Bushel, Rabinowitsh en Boas zijn typisch voor de sociaaleconomische structuur van de Amsterdamse markten in die tijd. De brief illustreert de nauwkeurige administratieve controle die de gemeente Amsterdam uitoefende op de kleinhandel, vlak voordat de Duitse bezetting de regels voor Joodse markthandelaren drastisch en fataal zou veranderen.

Locaties

Waterlooplein Amsterdam.

Kooplieden in dit dossier 10