Archief 745
Inventaris 745-283
Pagina 208
Dossier 7
Jaar 1939
Stadsarchief

Afschrift van een ambtelijke brief.

14 maart 1939.

Origineel

Afschrift van een ambtelijke brief. 14 maart 1939. No. 30/9/3 M.1939 21/3.
No. 137 L.M.1939 17/3. AFSCHRIFT. --
.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.
D i e n s t
der
Publieke Werken. Amsterdam, 14 M a a r t 1939.
No. 1117'39/Doss. 30478 Bs.
Onderwerp:
Verbetering bestrating
Waterlooplein. Den Heer Wethouder P.W.
Antwoord op No. 8/6 P.W.
dd. 2 Februari 1939.

        In antwoord op Uw nevenaangehaalde apostille en onder

terugzending der bylage deel ik U mede, dat het my bekend is, dat de
toestand van de bestrating op het Waterlooplein (marktgedeelte) sinds
geruimen tyd te wenschen laat.
By de gedurende een reeks van jaren voortgezette bezuini-
gingen op het onderhoud van de bestrating in het algemeen heb ik
echter gemeend, het standpunt te moeten innemen, dat in de eerste
plaats de rywegen zoodanig moeten worden onderhouden, dat de toestand
van de bestrating daarvan niet tot ongelukken leidt en dat het ver-
straten van deniet voor het ryverkeer bestemde weggedeelten, als
marktterreinen en dergelyken, eerst in tweede instantie aan de orde
komt.
Een en ander heeft ertoe geleid, dat de toestand van de
bestrating op deze marktterreinen sterk is achteruitgegaan.
Slechts in enkele gevallen kon tot vernieuwing van de weg-
bedekking op deze terreinen worden overgegaan. Zoo kon bv. het Am-
stelveld, dat gedurende vele jaren in veel slechteren toestand ver-
keerde dan het Waterlooplein thans, eerst in 1937 algeheel worden
vernieuwd.
Om aan de dringende klacht der marktkooplieden zooveel
mogelyk te voldoen, zal door myn Dienst in den loop van dit jaar
worden overgegaan tot het verstraten van bedoeld ~~marktterre~~ marktter-
rein, te weten van het gedeelte tusschen den Zwanenburgwal en ongeveer
perceel No.55, evenwel met gebruikmaking, voor zoover mogelyk, van
het bestaande materiaal.
Ik merk nog op, dat het in goeden staat onderhouden van
deze marktterreinen, hoewel behoorende tot den openbaren weg, meer
speciaal een belang voor Marktwezen is, welke Dienst de revenuen van
deze terreinen trekt, terwyl de kosten daarvan door myn Dienst moeten
worden gedragen. Dezen toestand acht ik in beginsel niet juist en
m.i. verdient de vraag, of de kosten van onderhoud niet geheel of In deze brief reageert de Directeur van de Dienst der Publieke Werken op een klacht (waarschijnlijk door de wethouder doorgestuurd) over de slechte staat van het plaveisel op het Waterlooplein.

De kernpunten uit de brief zijn:
1. Erkenning van het probleem: De dienst geeft toe dat de bestrating op het marktgedeelte van het Waterlooplein al geruime tijd slecht is.
2. Bezuinigingen en prioriteiten: Als gevolg van jarenlange bezuinigingen heeft de dienst voorrang gegeven aan de rijwegen voor het verkeer (veiligheid). Marktterreinen werden als secundair beschouwd, waardoor deze sterk zijn achteruitgegaan.
3. Toezegging tot herstel: Naar aanleiding van "dringende klachten" van de marktkooplieden zal in 1939 een specifiek deel van het plein (tussen de Zwanenburgwal en perceel 55) opnieuw worden bestraat. Om kosten te besparen zal men zoveel mogelijk oud materiaal hergebruiken.
4. Budgettaire frictie: De schrijver sluit af met een ambtelijke verzuchting: de Dienst der Publieke Werken draagt de kosten voor het onderhoud, terwijl de dienst 'Marktwezen' de inkomsten (staangeld) van het terrein ontvangt. Hij vindt deze verdeling onrechtvaardig. Dit document stamt uit maart 1939, een periode aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog en aan het einde van de crisisjaren. De "reeks van jaren voortgezette bezuinigingen" waarover gesproken wordt, verwijst direct naar de economische depressie van de jaren '30.

Het Waterlooplein was in die tijd het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt en de locatie van de belangrijkste dagmarkt van de stad. De klachten van de marktkooplieden wijzen op de economische druk waaronder zij stonden; een slecht begaanbaar plein was nadelig voor de handel.

Daarnaast geeft de brief een inkijkje in de stedelijke ontwikkeling: de prioriteit verschoof in deze periode steeds meer naar het faciliteren van het opkomende gemotoriseerde "rijverkeer", ten koste van verblijfsruimtes en marktterreinen. De tekst weerspiegelt ook de klassieke bureaucratische strijd tussen gemeentelijke diensten over budgetten en inkomstenstromen.

Samenvatting

In deze brief reageert de Directeur van de Dienst der Publieke Werken op een klacht (waarschijnlijk door de wethouder doorgestuurd) over de slechte staat van het plaveisel op het Waterlooplein.

De kernpunten uit de brief zijn:
1. Erkenning van het probleem: De dienst geeft toe dat de bestrating op het marktgedeelte van het Waterlooplein al geruime tijd slecht is.
2. Bezuinigingen en prioriteiten: Als gevolg van jarenlange bezuinigingen heeft de dienst voorrang gegeven aan de rijwegen voor het verkeer (veiligheid). Marktterreinen werden als secundair beschouwd, waardoor deze sterk zijn achteruitgegaan.
3. Toezegging tot herstel: Naar aanleiding van "dringende klachten" van de marktkooplieden zal in 1939 een specifiek deel van het plein (tussen de Zwanenburgwal en perceel 55) opnieuw worden bestraat. Om kosten te besparen zal men zoveel mogelijk oud materiaal hergebruiken.
4. Budgettaire frictie: De schrijver sluit af met een ambtelijke verzuchting: de Dienst der Publieke Werken draagt de kosten voor het onderhoud, terwijl de dienst 'Marktwezen' de inkomsten (staangeld) van het terrein ontvangt. Hij vindt deze verdeling onrechtvaardig.

Historische Context

Dit document stamt uit maart 1939, een periode aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog en aan het einde van de crisisjaren. De "reeks van jaren voortgezette bezuinigingen" waarover gesproken wordt, verwijst direct naar de economische depressie van de jaren '30.

Het Waterlooplein was in die tijd het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt en de locatie van de belangrijkste dagmarkt van de stad. De klachten van de marktkooplieden wijzen op de economische druk waaronder zij stonden; een slecht begaanbaar plein was nadelig voor de handel.

Daarnaast geeft de brief een inkijkje in de stedelijke ontwikkeling: de prioriteit verschoof in deze periode steeds meer naar het faciliteren van het opkomende gemotoriseerde "rijverkeer", ten koste van verblijfsruimtes en marktterreinen. De tekst weerspiegelt ook de klassieke bureaucratische strijd tussen gemeentelijke diensten over budgetten en inkomstenstromen.

Kooplieden in dit dossier 10