Ambtelijke kladbrief of memorandum.
Origineel
Ambtelijke kladbrief of memorandum. 1 april 1939 (links onderaan genoteerd als 1-4-'39). (Noot: Doorgehaalde tekst is tussen [ ] geplaatst met een streep, onleesbare delen zijn gemarkeerd met [...])
Zou het voorstel van mijn Ambtsgenoot voor de Publieke Werken worden aanvaard, dat de kosten van bestrating van marktterreinen geheel of gedeeltelijk door mijn dienst worden gedragen, - dan beteekent dit in feite niet anders, dan een overboeking van sommige posten van no. 832 naar no. 834 der Begrooting. Bovendien zou aanvaarding van dit [~~het zelf niet dit zou kunnen leiden~~] voorstel ongetwijfeld tot soortgelijke consequenties leiden ten aanzien van andere diensten (waarschijnlijk bijv. den Havendienst, die kade[pleinen] heeft). [~~Het is niet~~] [~~En een ander zou natuurlijk door Uw~~] [~~Ambtsgenoot voor de Financiën nader moeten~~] [~~worden beoordeeld.~] [~~Het advies te winnen van Uw Ambtgenoot voor~~] [~~de Financiën.~]
Mijnerzijds wordt echter betwist, dat in principe het bedoelde voorstel [~~zelf~~] juist is. De markten worden op openbare wegen gehouden [~~en daarom~~] zonder dat aan die wegen ten behoeve van de markten een bijzondere eisch wordt gesteld; een normaal onderhouden weg is ook voor markt geschikt; [~~het feit, dat een markt wordt gehouden,~~] [~~veroorzaakt in het geheel geen extra kosten~~] [~~onderhoud van den weg.~] Ik meen daarom dat ik aanvaarding van het voorstel van mijn Ambtsgenoot moet ontraden; nog daargelaten, dat dit [~~feitelijk~~] in de praktijk niets anders zou [~~bereiken~~] worden bereikt dan overboeking van een post [~~van de Begrooting no. 832~~] op een anderen in hetzelfde hoofdstuk n.l. no. 834. Veeleer verdient het m.i. aanbeveling, wanneer dat noodig zou zijn, no. 832 te verhoogen.
Wat tenslotte Uw opmerking [~~inzake~~] betreft, dat de kosten van bestrating worden bestreden uit inkomsten van erfpacht en van straatgeld, diene, dat inderdaad in nieuwe wijken, waar gronden in erfpacht worden uitgegeven, o.a. ook de kosten van den eersten aanleg der straten (met rioleering enz.) voor de berekening van de erfpacht in aanmerking worden genomen, echter niet de kosten van het latere onderhoud der bestrating. Bovendien behoort het Waterlooplein tot de oudere stadsgedeelten, waar de grond meerendeels is verkocht; in hoeverre bij den verkoop destijds ook met de kosten van straten-aanleg is rekening gehouden, kan niet meer worden nagegaan; doch ook hier is zeker het latere onderhoud niet in den prijs begrepen geweest.
[Marge links:]
Uw opmerking inzake het straatgeld onderschrijf ik ten volle: dit dient voor het onderhoud der bestrating.
[~~Reeds uiten dat dit in feite~~]
[~~Wat betreft het dient voor de onderhoud van de straat [...]~~]
[~~Ik zou nog willen opmerken onder meer:~~] Het document is een ambtelijk weerwoord op een voorstel van de dienst Publieke Werken. De kern van het geschil is een budgettaire verschuiving: Publieke Werken wil dat de kosten voor het bestraten van marktterreinen door een andere dienst (vermoedelijk de marktdienst of financiële dienst van de auteur) worden gedragen.
De auteur voert drie belangrijke argumenten aan tegen dit voorstel:
1. Administratieve redundantie: Het is slechts een boekhoudkundige verschuiving tussen begrotingsposten (832 en 834) en lost geen feitelijk financieringstekort op.
2. Precedentwerking: Als dit voorstel wordt aangenomen, zullen andere diensten (zoals de Havendienst) ook hun onderhoudskosten willen afwentelen.
3. Functionele onderbouwing: De auteur stelt dat een markt geen extra slijtage of speciale eisen aan een weg stelt die een normale weg niet al heeft. Er is dus geen reden voor een aparte kostenplaats.
Tot slot weerlegt de auteur het argument dat erfpacht en straatgeld deze kosten zouden moeten dekken. Hij maakt hierbij een scherp onderscheid tussen de aanleg (die in nieuwe wijken in de erfpacht verrekend zit) en het onderhoud (wat een doorlopende gemeentelijke taak is). Dit document stamt uit april 1939, een periode waarin de gemeentelijke begrotingen in Nederland onder druk stonden. De discussie over het Waterlooplein is saillant, omdat dit destijds een van de belangrijkste en drukste marktplaatsen van Amsterdam was.
Het handschrift en de vele correcties wijzen op een ervaren ambtenaar die nauwgezet de juridische en financiële kaders van de gemeente bewaakt. De strijd tussen verschillende gemeentediensten over wie welk onderhoud moet betalen, is een universeel thema in de lokale bureaucratie. Kort na het schrijven van dit document zou de Duitse inval (1940) de prioriteiten van het stadsbestuur volledig overhoop gooien, wat dit document tot een interessant relict maakt van de laat-vooroorlogse bestuurscultuur.