Officiële brief van het Gemeentebestuur van Amsterdam.
Origineel
Officiële brief van het Gemeentebestuur van Amsterdam. 4 mei 1920. Gemeentebestuur van Amsterdam (waarschijnlijk de Burgemeester). 345 [handgeschreven]
N° 1145 M. 1920. 5/5 [stempel en typemachine]
GEMEENTEBESTUUR VAN AMSTERDAM
AMSTERDAM, 4 Mei 1920.
N°. 10614
2106 A.Z.
BIJLAGE
Verzoeke bij de beantwoording den datum en het nummer van dezen brief aan te halen.
Ik heb de eer te Uwer kennis te brengen, dat het een enkele maal is voorgekomen, dat door of vanwege het Hoofd van een tak van dienst rechtstreeks bij Hooger Bestuur aanhangig is gemaakt een verzoek omtrent het toekennen van een Koninklijke onderscheiding voor menschlievend hulpbetoon aan in gemeentedienst werkzaam zijnd personeel.
Als regel geldt, dat dergelijke verzoeken ten behoeve van hier ter stede woonachtige personen door den Commissaris der Koningin om bericht en raad in mijn handen worden gesteld.
Het geval heeft zich thans voorgedaan, dat door een Directeur van een tak van Gemeentedienst de toekenning van een dusdanige onderscheiding was verzocht ten behoeve van een persoon bij zijn dienst werkzaam, terwijl - nadat dit verzoek door den Commissaris der Koningin in deze provincie om advies in mijn handen was gesteld - hieromtrent overeenkomstig een door den Hoofdcommissaris van Politie uitgebracht rapport, door mij in afwijzenden zin moest worden geadviseerd, wijl uit het onderzoek
Aan
den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen De kern van deze brief is een formele berisping of herinnering aan de geldende ambtelijke procedures binnen de gemeente Amsterdam. Het gaat specifiek over de aanvraag van Koninklijke onderscheidingen voor "menschlievend hulpbetoon" (zoals het redden van levens) voor gemeenteambtenaren.
De schrijver stelt vast dat hoofden van diensten soms de fout maken om dergelijke aanvragen direct bij het "Hooger Bestuur" (de provincie of het Rijk) in te dienen, buiten de centrale gemeentelijke hiërarchie om. De juiste procedure is dat de Commissaris der Koningin de aanvraag ter advisering voorlegt aan de Burgemeester van Amsterdam.
De aanleiding voor de brief is een concreet incident waarbij een directeur een onderscheiding had aangevraagd voor een ondergeschikte. Echter, nadat de burgemeester om advies werd gevraagd, bleek uit een rapport van de Hoofdcommissaris van Politie dat de betreffende persoon niet in aanmerking kwam voor de onderscheiding. De burgemeester moest de aanvraag dus afwijzen, wat een pijnlijke situatie creëert als de aanvraag al informeel was opgestart. * Koninklijke Onderscheidingen: De onderscheiding voor "menschlievend hulpbetoon" verwijst waarschijnlijk naar de Eerepenning voor Menschlievend Hulpbetoon, ingesteld in 1822. Dit was een zeer prestigieuze onderscheiding voor burgers die met gevaar voor eigen leven anderen hadden gered.
* Tijdsbeeld (1920): Kort na de Eerste Wereldoorlog was de bureaucratie in Nederland strikt hiërarchisch georganiseerd. Amsterdam groeide snel en de verschillende gemeentelijke diensten functioneerden soms als "eilandjes", wat de burgemeester hier probeert te corrigeren.
* Wethouder voor de Levensmiddelen: Deze specifieke wethouderspost was in de jaren rond 1920 cruciaal vanwege de voedselschaarste en distributieproblemen die na de oorlog nog voortduurden. Het feit dat deze brief aan hem is gericht, suggereert dat de "foutieve" aanvraag mogelijk uit zijn departement afkomstig was.
* Rol van de Politie: Het was destijds (en is deels nog steeds) gebruikelijk dat de politie een onderzoek deed naar de "zedelijke gedragingen" en het verleden van iemand die werd voorgedragen voor een Koninklijke onderscheiding. Gemeente Amsterdam Politie