Archiefdocument
Origineel
26 mei 1920 No. 1313 M. 1920.
GEMEENTELIJKE VISCHVOORZIENING
AMSTERDAM, 26 Mei 1920
Den heer Weth. Kw.
Naar aanleiding van het schrijven d.d. 20 dezer No. 1120 L.M.b. van den heer directeur van den Gem. dienst der W.B. en Zw. inr. heb ik de eer U te berichten dat ik nog geen beslissing kan nemen betreffende de eischen waaraan de met het badhuis in de Indische buurt te verbinden markthal moet voldoen, zoolang nog geen principiële beslissing is genomen of de Gemeente zelf deze markthal zou exploiteeren dan dat dezelve geheel of afdeelingsgewijs aan anderen zou worden verhuurd voor den verkoop van versche levensmiddelen. Een dergelijke beslissing kan eerst worden genomen nadat de Raad tot de instelling van een gemeentelijk groentenbedrijf heeft besloten. *
Ik geef U daarom in overweging dat, mocht de bouw van een badhuis zoolang niet meer kunnen worden uitgesteld, dit voorloopig alleen te bouwen en het aansluitend terrein te reserveeren totdat de bedoelde beslissing zal zijn gevallen.
(Getekend: onleesbaar, mogelijk 'De W')
* Elkaar bovendien zal de inrichting afhangen van het verband hetwelk gelegd zal worden tusschen de Centrale Markthal en bedoelde Markthal als verkoop- of distributieplaats. Dit document is een ambtelijke brief van de Gemeentelijke Vischvoorziening aan een wethouder (vermoedelijk de wethouder van Kunstzaken of Publieke Werken, aangeduid als 'Kw.'). De kern van de brief is de onzekerheid over de inrichting van een gecombineerd complex van een badhuis en een markthal in de Indische buurt te Amsterdam.
De schrijver legt uit dat er nog geen functionele eisen gesteld kunnen worden aan de markthal, omdat de politieke besluitvorming over de exploitatievorm (eigen beheer door de gemeente of verhuur aan derden) nog hangende is. Deze beslissing hangt weer samen met een breder besluit van de Gemeenteraad over de oprichting van een "gemeentelijk groentenbedrijf".
Als pragmatische oplossing wordt voorgesteld om, indien haast geboden is, alvast te beginnen met de bouw van het badhuis en de grond voor de markthal gereserveerd te houden. Een belangrijke technische toevoeging in de voetnoot wijst erop dat de inrichting ook afhankelijk is van de toekomstige logistieke relatie met de Centrale Markthal. In 1920 bevond Amsterdam zich in een fase van sterke stadsuitbreiding en sociale hervorming. De Indische buurt was in volle ontwikkeling. Volksgezondheid was een prioriteit, wat zich uitte in de bouw van openbare badhuizen voor de arbeidersbevolking die thuis vaak geen sanitaire voorzieningen had.
Tegelijkertijd experimenteerde de gemeente Amsterdam in die periode met de voedselvoorziening. De Gemeentelijke Vischvoorziening was oorspronkelijk tijdens de Eerste Wereldoorlog opgericht om de visprijzen laag te houden en de distributie te waarborgen. De discussie over een "gemeentelijk groentenbedrijf" en de koppeling aan de (toen in planning zijnde) Centrale Markthal past in de trend van de gemeente om meer grip te krijgen op de kwaliteit en prijs van levensmiddelen voor haar burgers. De Centrale Markthal zou uiteindelijk pas in 1934 aan de Jan van Galenstraat worden geopend, maar de voorbereidingen en het beleid eromheen waren in 1920 al onderwerp van gesprek.