Archiefdocument
Origineel
Afdeling Marktwezen, 5e afdeeling. Marktwezen
5e afdeeling
No 1358 M. 1920. 11/6
Aan de Directie van het Marktwezen.
Onder terugzending van de in mijn handen gestelden stukken, betreffende een 20 tal ingekomen stukken, om vergunning tot het innemen van een vaste standplaats op het Haarlemmerplein, heb ik de eer in aansluiting met mijn advies d.d. 8 Maart 1920, No. 630 en naar aanleiding van het advies van den Hr. Hoofdcommissaris van Politie d.d. 5 Mei 1920 Lz. S. No. 2, de eer het volgende ter uwer kennis te brengen.
Door den Hr. Hoofdcommissaris van Politie wordt in zijn advies van 5 Mei j.l. overeenkomstig zijn advies van 19 Februari 1920 Lz. S. No. 62, er nog steeds op aangedrongen het Haarlemmer-plein te doen aanwijzen als kostelooze markt, op grond:
a. dat het verkeer aldaar ter plaatse ten zeerste daarmede gebaat zal zijn;
b. voor de buurtbewoners van groot belang;
c. dat van de beide vluchtheuvels, gelegen ter weerszijde van de met keiën bestrate rijweg, waardoor het Haarlemmerplein gevormd wordt, bij het geopend zijn van de brug over de Buitensingelgracht nabij de Willemspoort, door voetgangers nimmer gebruik wordt gemaakt.
Betreffende deze 3 punten acht ik het gewenscht het volgende te argumenteeren.
Het behoeft geen betoog dat in de verschillende stadsgedeelten waar de vrije markten worden gehouden, het verkeer zeer druk is, niet alleen wegens het innemen van standplaatsen met handkarren op aanwijzing der politie, maar tevens door de straatventers, die steeds langs of in de onmiddellijke nabijheid van die terreinen tijdelijk stil staan, totdat zij door de politie worden opgedreven of langzaam doorrijden.
Het bovenstaande kan men dagelijks constateeren, ook langs de overige markten.
Het is dan ook absoluut uitgesloten, dat zulks niet zal plaatsvinden, indien het Haarlemmerplein als vrije markt wordt benut.
Het groot belang dat voor buurtbewoners daaraan verbonden is, is mijns inziens niet te verdedigen, aangezien de venters die aldaar een plaats zouden mogen innemen, zich bepalen tot artikelen, die niet gerangschikt kunnen worden onder de voornaamste... [tekst breekt af op deze pagina] In deze ambtelijke brief wordt gereageerd op een voorstel van de Hoofdcommissaris van Politie om van het Haarlemmerplein in Amsterdam een 'kosteloze markt' te maken. De aanleiding is een twintigtal aanvragen voor vaste standplaatsen op dat plein.
De politie ziet voordelen in een markt op deze locatie: het zou de verkeersdoorstroming verbeteren (omdat venters dan een vaste plek hebben in plaats van rond te dwalen) en de ongebruikte vluchtheuvels bij de Willemspoort zouden eindelijk een nuttige functie krijgen.
De schrijver van het document (een ambtenaar van de 5e afdeling van het Marktwezen) is echter sceptisch. Hij voert aan dat vrije markten juist vaak voor extra verkeersdrukte en opstoppingen zorgen door de aanzuigende werking op straatventers. Ook betwijfelt hij of de buurtbewoners werkelijk gebaat zijn bij de producten die daar verkocht zouden worden. Het Haarlemmerplein was historisch gezien een belangrijke toegangspoort tot Amsterdam (via de Willemspoort). In 1920 was de stad volop in beweging: het verkeer nam toe en de gemeente probeerde de straathandel te reguleren.
Een 'vrije' of 'kosteloze' markt was een plek waar handelaren zonder de gebruikelijke hoge staangelden konden staan, vaak bedoeld om de handel in volksbuurten te stimuleren. De discussie in dit document illustreert het spanningsveld tussen de wens voor ordelijke verkeersdoorstroming (politie) en de praktische uitvoering van marktbeheer (Marktwezen). De "brug over de Buitensingelgracht" verwijst naar de verbinding richting de Haarlemmerweg, een destijds cruciale verkeersader.