Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 7 februari 1939. E. de Wilde, wonende aan de Nw. Herengracht 81 (voorheen Nw. Uilenburgerstraat). De Directeur van het Marktwezen te Amsterdam. [Stempel linksboven:] Nº 31/10/1 M. 1939 1/2
[Rechtsboven:] Adam 7 Feb 1939
Wel Ed Heer Directeur
v/h Marktwezen te Adam
Ondergetekende E. de Wilde Stoopslootsvonder
Nw. Uilenburgerstr (ong Rapenburg) verzoekt u Ed
de welwillende medewerking te verleenen
om ook hem in de gelegenheid te stellen
hem een der vacante plaatsen toe te wijzen
o.a. No 6 Waterman No 53 de Ketz of een
van de overige plaatsen die momenteel op
het Marktterrein over zijn. Mijn verk. is door een
[^bijv.] consumptie wagen. Mocht het voor U ^[beter] dat ik mijn
wagen niet gebruiken kan zoo wil ik ook wel een
stal voor Zondag van de Stalhouders huren.
Hopend dat het mij nu gelukt dat
ik ook een plaats krijg, in de hoop
van u Ed een gunstig antwoord
tegemoet ziende verblijf ik bij voorbaat
dank.
E de Wilde.
Nw. Herengracht 81
Adam C In deze brief verzoekt de heer E. de Wilde de directeur van het Amsterdamse Marktwezen om een standplaats op de markt. De afzender is specifiek geïnteresseerd in een van de vrijgekomen ("vacante") plaatsen, waarbij hij expliciet de nummers 6 (voorheen Waterman) en 53 (voorheen De Ketz) noemt.
De schrijver geeft aan dat zijn handel ("verk.") plaatsvindt vanuit een consumptiewagen. Hij toont zich echter flexibel: indien het gebruik van zijn eigen wagen niet is toegestaan of mogelijk is, is hij bereid om voor de zondagen een marktkraam ("stal") te huren van de lokale stalhouders. De brief is geschreven in de formele, ietwat onderdanige stijl die gebruikelijk was voor officiële correspondentie met overheidsinstanties in die tijd. Het document dateert van februari 1939, een periode van grote economische spanning en de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. De genoemde locaties — de Nieuwe Uilenburgerstraat en Rapenburg — vormden het hart van de oude Amsterdamse Joodse buurt. De namen van de vorige plaatshouders die De Wilde noemt, 'Waterman' en 'De Ketz' (mogelijk De Kretz), zijn typisch Joods-Amsterdamse namen die veelvuldig voorkwamen onder marktkooplieden in dit district.
De brief biedt een inkijkje in de dagelijkse overlevingsstrijd van kleine zelfstandigen en de strikte regulering van de Amsterdamse markten door de gemeente. Het feit dat er plaatsen vacant waren, kan duiden op het vertrek of overlijden van eerdere kooplieden, of op verschuivingen binnen de marktstructuur vlak voordat de oorlog de Joodse marktsector volledig zou ontwrichten. E. de Wilde Marktwezen