Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen en stempels.
Origineel
Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen en stempels. 6 maart 1939. M. Polk, Zwanenburgwal 45 II, Amsterdam (C). [Briefhoofd]
№ 31/14/1, M. 1939 7/3
M. Polk
Zwanenburgwal 45 II
Amsterdam (C)
Amsterdam, 6 Maart 1939.
[Adressering]
DEN WELEDELEN HEER DIRECTEUR
VAN HET MARKTWEZEN
A L H I E R .
[Aanhef]
Weledele heer,
[Inhoud]
Voor de volgende zaak kom ik beleefd Uw aandacht vragen.
Nadat ik hier vier jaar om gevraagd had, is mij voor 5 a 6 weken geleden plaats aangewezen op de markt "Uilenburg", welke mij beter leek dan de plaats die ik tot op dit tijdstip innam. Deze plaats was vrijgekomen omdat de koopman Dinsdag bedankte. Intussen was die plaats gedurende enkele Zondagen bezet, en dit als z.g. losse plaats, door J. Maykels. Hevig verontwaardigd was deze, toen hij zag, dat ik deze plaats mocht bezetten. Aan de ergste verwensingen en beschuldigingen heeft het niet ontbroken. Hij beweerde, dat hij meer rechten had dan ik, omdat hij al 20 jaar een plaats innam op deze markt.
Hij kon of wilde niet beseffen, dat als men zijn plaats opgeeft, men vanzelfsprekend zijn oudere rechten verliest. Het gebeurt toch immers vele malen op de markten, dat een koopman een aantal keren een te vergeven plaats los inneemt; dit is echter nog geen reden om op zo'n plaats rechten te doen gelden, nog minder om de persoon, welke die plaats tenslotte wordt toegewezen, op de gemeenste manier te belasteren en uit te vloeken. Echter, de mentaliteit kennende welke een aantal van mijn collega's helaas er op na houden, gaf ik op al deze ontboezemingen, hoezeer ze mij ook griefden, geen woord tot repliek. Ik dacht bij mij zelve, dat zijn opwinding wel zou slijten.
Dit schijnt echter niet het geval te zijn. Mijn vrouw, die Zaterdags een plaats inneemt op de Nieuwmarkt, vertelt mij elke Zaterdagavond na afloop van de markt, ik spreek haar die dag niet eerder, dat genoemde Maykels haar en ook mij in mijn afwezigheid beledigt en belastert. Zelfs tegenover klanten, marktbezoekers, doet hij zulks met meer of minder succes, succes althans van zijn kant bezien. Getuige hiervan zou ik U kunnen noemen. Onderkruiper, aap, handelaar in pornografie, dief, benevens de reeds door mij genoemde verwensingen, is slechts een deel van de zeer luid geschreeuwde op ons doelende ontboezemingen. Verschenen Zaterdag is hier een nieuwe benaming bijgekomen n.l. "lijkenschenner" Nu is het voor mij tot op heden heel moeilijk geweest hiertegen op te treden, daar één en ander altijd gebeurde als ik er niet bij was. Zondagmorgen j.l. passeerde ik Maykels, die met L. Haringman Sr. stond te spreken, toen hij mij, terwijl ik hem voorbijliep zeer luid toeschreeuwde het zojuist door mij genoemde fraaie woord "lijkenschenner". Direct begreep ik dat dit voor mij bestemd was, immers mijn vrouw had mij verschenen Zaterdagavond van Maykels nieuwe vonds op de hoogte gebracht. Na dit smerig scheldwoord vroeg ik hem of hij mij er mee bedoelde. Hij antwoordde daarop: "Ja, wat wou je daarvan!" Ik zeide toen, dat het nu onder getuige gezegd was, en dat hij er wel meer van zou horen. Mijn eerste gedachte was een strafklacht bij de politie in te dienen, maar verschillende overwegingen deden mij besluiten zulks ... [tekst breekt af] In deze brief beklaagt marktkoopman M. Polk zich bij de Directeur van het Marktwezen over de aanhoudende intimidatie en laster door een collega-koopman, J. Maykels.
De kern van het conflict is een standplaats op de markt "Uilenburg". Polk heeft deze plaats na vier jaar wachten officieel toegewezen gekregen nadat de vorige houder stopte. Maykels, die de plek tijdelijk als "losse plaats" (zonder vaste rechten) had bezet, claimt echter voorrang op basis van zijn twintigjarige aanwezigheid op de markt.
De brief is opmerkelijk vanwege de expliciete opsomming van beledigingen. Maykels schuwt het niet om Polk en diens vrouw publiekelijk uit te maken voor "onderkruiper", "aap", "dief", "handelaar in pornografie" en uiteindelijk zelfs "lijkenschenner". Polk geeft aan dat hij aanvankelijk niet reageerde om de lieve vrede te bewaren, maar dat de maat vol is nu de beledigingen in het bijzijn van getuigen (zoals L. Haringman Sr.) en klanten worden geuit.
De tekst getuigt van de felle concurrentie en de ruwe omgangsvormen op de vooroorlogse Amsterdamse markten. Polk probeert de directeur te overtuigen van zijn gelijk door te wijzen op de reglementen: het tijdelijk bezetten van een losse plaats geeft geen recht op een vaste toewijzing. De brief dateert van maart 1939, een periode van grote economische spanning en politieke onrust, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De locaties die worden genoemd — de Uilenburgermarkt en de Nieuwmarkt — bevonden zich in het hart van de oude Joodse buurt in Amsterdam.
De Uilenburgermarkt was een drukke, levendige markt waar vooral veel arme Amsterdammers hun inkopen deden. De toon in de brief is formeel, maar de emotie over de aantasting van zijn eer en goede naam als koopman is duidelijk voelbaar. Het woord "lijkenschenner" was in die tijd een zeer zwaar beladen belediging, die vaak in antisemitische of extreem denigrerende context werd gebruikt, wat de ernst van het conflict onderstreept.
Administratief gezien illustreert de brief de rol van de gemeente (het Marktwezen) als scheidsrechter in de felle strijd om de beperkte en gewilde vaste standplaatsen op de Amsterdamse markten. J. Maykels L. Haringman M. Polk Marktwezen Politie