Ambtelijke brief/memorandum.
Origineel
Ambtelijke brief/memorandum. 11 april 1939. Onbekend (vermoedelijk een afdelingshoofd of secretaris, gezien de initialen VP/HG). VP/HG. extra
65/3/8 M.
11 April 1939.
Rechtsmaatregelen tegen
F. van den Berg.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Ten vervolge op mijn rapport d.d. 4 Maart jl. (No. 65/3/5 M.) heb ik de eer U in bijlage dezes een afschrift te doen toekomen van een op 6 April jl. door den waarnemenden Gemeente-Advocaat, den heer Mr. D.K.G. de Jong, aan mij gerichten brief. Met betrekking tot dien brief merk ik op, dat Van den Berg uiteraard niet het recht heeft gehad, om het door hem met ingang van 1 November 1938 voor een jaar gehuurde pakhuis reeds met ingang van 1 December wederom te verlaten. Intusschen is het een feit, dat de door Van den Berg gehuurde pakhuisafdeeling met ingang van 1 Januari jl. opnieuw is verhuurd, namelijk aan den grossier Bruinsma, in wiens huurcontract echter een bepaling is opgenomen, dat het onderwijld zal eindigen, indien Van den Berg alsnog zou willen terugkomen.
Wanneer derhalve uiteindelijk bij rechterlijk vonnis, overeenkomstig een dezerzijds ingestelde vordering, de huurovereenkomst met Van den Berg zou worden ontbonden, zou de schadevergoeding, die aan de Gemeente zou worden toegewezen, zich waarschijnlijk beperken tot de gederfde huur over de maand December 1938, aangezien sedert Januari wederom huur is ontvangen. Op dien grond - en mede ter vermijding van een langdurig proces - lijkt mij het voorstel van Van den Berg om alsnog de huur over de maand December te betalen, niet onaannemelijk. Ook de heer Gemeente-Advocaat met wien ik deze aangelegenheid besprak is de bovenstaande meening toegedaan.
Bij een onderhoud, dat ik nog onlangs met Van den Dit document betreft een juridisch-zakelijk advies aan de Wethouder voor de Levensmiddelen over een geschil met een huurder, F. van den Berg. Van den Berg had een pakhuis gehuurd van de gemeente voor de duur van een jaar (vanaf november 1938), maar verbrak het contract voortijdig na slechts één maand.
De kern van de kwestie is de afwikkeling van de schade. De gemeente heeft het pakhuis per januari 1939 alweer aan een ander (Bruinsma) verhuurd. De schrijver adviseert om akkoord te gaan met een schikkingsvoorstel van Van den Berg: het betalen van de huur over enkel de maand december 1938. De redenering is pragmatisch; een rechtszaak zou waarschijnlijk niet meer opleveren dan deze ene maand huur (omdat de gemeente daarna weer inkomsten uit het pand had), en een proces zou onnodig veel tijd en kosten met zich meebrengen. De Gemeente-Advocaat steunt dit advies. Het document dateert van april 1939, een periode van verhoogde spanning in Europa vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De functie "Wethouder voor de Levensmiddelen" wijst op het belang van de gemeentelijke bemoeienis met de voedselvoorraad en distributie, vaak in het kader van de naderende mobilisatie en mogelijke schaarste. Pakhuizen waren in deze context essentieel voor de opslag van voorraden.
De taal is formeel-ambtelijk, kenmerkend voor de vooroorlogse Nederlandse administratie, met gebruik van de naamvalsvormen ("den heer", "in bijlage dezes") en de spelling-Marchant. De aanduiding "Alhier" suggereert dat de correspondentie binnen hetzelfde stadhuis of dezelfde gemeente (waarschijnlijk Amsterdam, gezien de aard van dergelijke wethoudersposten) plaatsvond.