Handgeschreven brief (verzoekschrift/correspondentie)
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift/correspondentie) 5 december 1939 J. de Magtige No 18/55/5 M. 1339 6/12
Amsterd. 5 Dec. 1939
m Dir.
M.
Met deze stuur ik Uw, in antwoord
op Uw schrijven van 1. Dec. mijn
vorige vergunning als voddenkoop-
man zooals Uw zult zien al van 1920
dus reeds voor 1933 en wil Uw noch
meer gegevens hebben, belt Uw op.
aan Dr. Pareira die weet dat ik
wegens ziekte tijdelijk moest op-
houden met venten, Maar nu weer
bezig ben van Maart 1938 om mijn
ventvergunning terug te ontvangen.
Hopende met deze gegevens een
gunstig antwoord te krijgen blijf ik
in afwachting.
J. de Magtige
J. Breestraat 47 III
18 * Inhoud: De schrijver, J. de Magtige, reageert op een brief van de gemeente (of een specifieke dienst) van 1 december. Hij stuurt zijn oude vergunning als voddenkoopman mee als bewijs dat hij dit beroep al sinds 1920 uitoefent. Hij legt uit dat hij vanwege ziekte tijdelijk moest stoppen met werken, maar dat hij al sinds maart 1938 probeert zijn vergunning terug te krijgen.
* Taalgebruik: Het taalgebruik is formeel maar bevat enkele grammaticale eigenaardigheden die typerend zijn voor die tijd of de sociale achtergrond van de schrijver (zoals het gebruik van "Uw" in plaats van "U" als onderwerp).
* Cruciale details:
* De expliciete vermelding dat hij de vergunning al heeft sinds 1920, en dus "reeds voor 1933". In 1939 was de datum 1933 (het jaar van de machtsovername door de nazi's in Duitsland) een belangrijk ijkpunt in de bureaucratie rondom verblijfs- en werkvergunningen, vaak om aan te tonen dat men geen recente vluchteling was.
* Dr. Pareira: De afzender voert een arts op als referent om zijn ziekteverzuim te staven. Pareira is een bekende Sefardisch-Joodse naam in Amsterdam. Dit document stamt uit december 1939, de periode van de mobilisatie in Nederland, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Nederland (mei 1940). De afzender woont in de Jodenbreestraat, het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt.
De brief illustreert de precaire positie van kleine zelfstandigen en straatverkopers in die tijd. Voor veel Joodse Amsterdammers was de 'ventvergunning' (voor handel in vodden, bloemen of fruit) de enige bron van inkomsten. De nadruk op het feit dat hij al sinds 1920 werkzaam is, duidt op een poging om zijn rechten veilig te stellen in een tijd waarin regelgeving steeds strikter werd en de economische druk op de Joodse gemeenschap toenam. Het document biedt een inkijkje in de ambtelijke molens waarmee burgers te maken kregen bij het herstellen van hun bestaansmiddelen na ziekte.