Officieel afschrift van een circulaire (overheidsdocument).
Origineel
Officieel afschrift van een circulaire (overheidsdocument). 27 november 1940. Afschrift.
DEPARTEMENT VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN.
Betreffende ontheffing van de waarneming van hun functie van Joden.
No. 49794 Afd. Ambtenarenzaken.
's-Gravenhage, 27 November 1940.
- Ik heb de eer Uw College mede te deelen, dat ingevolge opdracht van den Commissaris-Generaal voor Bestuur en Justitie, Joden niet alleen voor wat betreft de ambtelijke werkkringen bij Rijk, provincie enz., doch ook ten aanzien van de z.g. eereambten onverwijld van de waarneming van hun functie moeten worden ontheven. Deze opdracht heeft betrekking zoowel op de eereambten, welke bij de openbare publiekrechtelijke lichamen worden vervuld als op die, welke worden vervuld bij lichamen, waaraan de Staat, een provincie, een gemeente of eenig ander openbaar lichaam deelneemt.
- Jood in den zin van de hier bedoelde opdracht is:
a. een ieder, die uit ten minste drie naar ras vol-Joodsche grootouders stamt;
b. hij, die uit twee vol-Joodsche grootouders stamt en:
1e. hetzij zelf op den negenden Mei 1940 tot de Joodsch-kerkelijke gemeente heeft behoord of na dien datum daarin wordt opgenomen;
2e. hetzij op den negenden Mei 1940 met een Jood was gehuwd of na dat oogenblik met een Jood in het huwelijk treedt. - Een grootouder wordt als vol-Joodsch aangemerkt, wanneer deze tot de Joodsch-kerkelijke gemeenschap heeft behoord.
- Ik verzoek U overeenkomstig het vorenstaande te handelen en te doen handelen. De inhoud van deze circulaire dient derhalve onverwijld ter kennis te worden gebracht van de besturen der tot Uw gewest behoorende waterschappen, veenschappen en veenpolders en de besturen der privaatrechtelijke lichamen, inrichtingen en stichtingen, waaraan door of vanwege Uwe provincie wordt deelgenomen.
- Gaarne zal ik, zoo spoedig mogelijk, een nominatieve opgave ontvangen van de Joden, die overeenkomstig het vorenstaande ter zake van door hen bekleede eereambten als hiervoren bedoeld, van hunne functie zijn ontheven, met vermelding van de functie.
- Nihilopgaven kunnen achterwege blijven.
- De gemeentebesturen zijn rechtstreeks door mij ingelicht, met verzoek dienovereenkomstig te handelen en te doen handelen. Den Beauftragte voor Uwe provincie heb ik rechtstreeks twee afschriften van deze circulaire (in Duitschen tekst) gezonden. Een tweetal afschriften van dien Duitschen tekst gaat hiernevens.
EL
DE SECRETARIS-GENERAAL,
Waarnemend Hoofd van het
DEPARTEMENT VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN,
(get.) onleesbaar.
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van Amsterdam,
[handtekening] J.F. Franken l.s.
Aan
Heeren Gedeputeerde Staten
der onderscheidene provincien. Dit document is een cruciale administratieve schakel in de uitsluiting van Joodse burgers uit de Nederlandse samenleving tijdens de Duitse bezetting.
- Kernboodschap: De circulaire verordonneert de onmiddellijke ontslagverlening ("ontheffing") van Joodse personen uit niet alleen hun reguliere ambtenarenfuncties, maar expliciet ook uit "eereambten" (onbezoldigde of ceremoniële functies). Dit gold voor publieke instellingen én voor private stichtingen of lichamen waarin de overheid een aandeel had.
- Definitie van 'Jood': In de paragrafen 2 en 3 wordt de pseudowetenschappelijke raciale definitie gehanteerd die door de nazi's werd geïntroduceerd (gebaseerd op het aantal grootouders en religieuze affiniteit). Dit is de directe implementatie van de beruchte verordening 189/40 van de Rijkscommissaris.
- Administratieve controle: Punt 5 vraagt om een "nominatieve opgave" (een lijst met namen), wat aantoont dat de bezetter en de meewerkende Nederlandse bureaucratie exact in kaart wilden brengen wie er verwijderd was.
- Reikwijdte: De circulaire richt zich tot de Gedeputeerde Staten om ervoor te zorgen dat ook waterschappen, stichtingen en "veenschappen" gezuiverd werden van Joodse invloed. Dit document dateert van november 1940, slechts enkele maanden na het begin van de bezetting. Het markeert de overgang van incidentele pesterijen naar systematische, wettelijke uitsluiting.
In oktober 1940 was reeds de 'Ariërverklaring' ingevoerd, waarbij alle ambtenaren moesten verklaren of zij van Joodse bloede waren. Deze circulaire van 27 november is een direct gevolg daarvan: nadat de inventarisatie was voltooid, volgde nu de opdracht tot de feitelijke verwijdering uit de functies.
De "Commissaris-Generaal voor Bestuur en Justitie" waarnaar verwezen wordt, was de Oostenrijkse nazi Friedrich Wimmer. De Nederlandse Secretarissen-Generaal (de hoogste ambtenaren) bleven tijdens de bezetting aan en voerden deze Duitse bevelen uit, wat na de oorlog leidde tot grote discussies over collaboratie en het "doorwerken in oorlogstijd". De ondertekening door de Secretaris van Amsterdam (J.F. Franken) toont aan hoe deze orders van de landelijke overheid werden doorgezet naar de lokale besturen.