Archief 745
Inventaris 745-312
Pagina 290
Dossier 24
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypt ambtelijk schrijven (afschrift/kopie) met handgeschreven kanttekeningen.

5 maart 1940. Van: De Commandant der Brandweer van Amsterdam (getekend door de ingenieur G.A. de Boer). Aan: Den Heer Burgemeester van Amsterdam.

Origineel

Getypt ambtelijk schrijven (afschrift/kopie) met handgeschreven kanttekeningen. 5 maart 1940. De Commandant der Brandweer van Amsterdam (getekend door de ingenieur G.A. de Boer). Den Heer Burgemeester van Amsterdam. No.20/2/2 M.1940 13/3 AFSCHRIFT.
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
No.50/342 b I A.Z.1939 No.57/2 L.M.1940.

No ~~4422~~ Br.1939. Amsterdam, 5 Maart 1940.

                                                      Den Heer Burgemeester van
                                                                Amsterdam.

           Met betrekking tot ommestaand adres heb ik de eer UHEd.

Achtb. te berichten, dat adressant J.Lahnstein inmiddels is over-
leden.
Zijn weduwe B.Lahnstein-Dobber verzoekt thans, blijkens
bijgevoegd adres, op haar naam overschrijving van de op 14 December
1939, onder No.50/342 - 4422 Br. 1939 verleende vergunning, evenwel
in dier voege gewijzigd, dat het haar zal zijn toegestaan om pinda's
te bakken en suiker te smelten op de markten Dapperstraat, Albert
Cuypstraat, Nieuwe Uilenburgerstraat, Ten Katestraat en Waterloo-
plein.
Voor zoover mijn dienst betreft bestaat tegen overschrij-
ving van meergenoemde vergunning op naam van de weduwe B.Lahnstein-
Dobber geen bezwaar, onder dezelfde voorwaarden als in deze vergun-
ning gesteld.

                                               De Commandant der Brandweer,
                                                     o.l. De Ingenieur,
                                                     w.g.G.A.de Boer.

Geen bezwaar:
De Directeur van het Marktwezen,
w.g.Dr.A.v.d.Laan.

Handgeschreven onderaan:
Retour Raadhuis
27/3-'40 [paraaf] * Inhoud: Het document betreft de administratieve afhandeling van een vergunning voor een marktkoopman. De heer J. Lahnstein, die blijkbaar net een nieuwe vergunning had gekregen in december 1939, is overleden. Zijn weduwe, B. Lahnstein-Dobber, vraagt om de vergunning op haar naam te zetten zodat zij de handel in suikerpinda's of aanverwante waren kan voortzetten.
* Locaties: Het verzoek betreft vijf prominente Amsterdamse markten: de Dapperstraat (Oost), Albert Cuypstraat (Zuid), Nieuwe Uilenburgerstraat (Centrum/Joodse buurt), Ten Katestraat (West) en het Waterlooplein (Centrum).
* Bureaucreatie: Het document illustreert de nauwgezette controle van de gemeente. Omdat er met open vuur of hittebronnen wordt gewerkt (pinda's bakken, suiker smelten), moet de Brandweer expliciet toestemming geven. Ook de Directeur van het Marktwezen (Dr. A. van der Laan) moet akkoord gaan voordat het verzoek naar de Burgemeester gaat voor de uiteindelijke besluitvorming.
* Taalgebruik: Het taalgebruik is formeel en ambtelijk ("UHEd. Achtb." oftewel Uwe Edelachtbare; "in dier voege gewijzigd"). * Tijdsbeeld: Het document dateert van maart 1940, slechts twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. In deze periode draaide de Amsterdamse bureaucratie nog op volle toeren volgens de vooroorlogse wetten en regels.
* Sociaal-economisch: De handel in gebakken pinda's op markten was een bekende vorm van kleinhandel in Amsterdam. De familienaam Lahnstein en de locaties (Nieuwe Uilenburgerstraat, Waterlooplein) suggereren een mogelijke connectie met de Joodse gemeenschap in Amsterdam. In de latere oorlogsjaren zouden vergunningen voor Joodse marktkooplieden stelselmatig worden ingetrokken door de bezetter, wat dit document een wrange historische lading geeft: het toont een vrouw die probeert de zaak van haar overleden man legaal voort te zetten, vlak voordat de wereld voor de Amsterdamse Joden drastisch zou veranderen.

Samenvatting

  • Inhoud: Het document betreft de administratieve afhandeling van een vergunning voor een marktkoopman. De heer J. Lahnstein, die blijkbaar net een nieuwe vergunning had gekregen in december 1939, is overleden. Zijn weduwe, B. Lahnstein-Dobber, vraagt om de vergunning op haar naam te zetten zodat zij de handel in suikerpinda's of aanverwante waren kan voortzetten.
  • Locaties: Het verzoek betreft vijf prominente Amsterdamse markten: de Dapperstraat (Oost), Albert Cuypstraat (Zuid), Nieuwe Uilenburgerstraat (Centrum/Joodse buurt), Ten Katestraat (West) en het Waterlooplein (Centrum).
  • Bureaucreatie: Het document illustreert de nauwgezette controle van de gemeente. Omdat er met open vuur of hittebronnen wordt gewerkt (pinda's bakken, suiker smelten), moet de Brandweer expliciet toestemming geven. Ook de Directeur van het Marktwezen (Dr. A. van der Laan) moet akkoord gaan voordat het verzoek naar de Burgemeester gaat voor de uiteindelijke besluitvorming.
  • Taalgebruik: Het taalgebruik is formeel en ambtelijk ("UHEd. Achtb." oftewel Uwe Edelachtbare; "in dier voege gewijzigd").

Historische Context

  • Tijdsbeeld: Het document dateert van maart 1940, slechts twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. In deze periode draaide de Amsterdamse bureaucratie nog op volle toeren volgens de vooroorlogse wetten en regels.
  • Sociaal-economisch: De handel in gebakken pinda's op markten was een bekende vorm van kleinhandel in Amsterdam. De familienaam Lahnstein en de locaties (Nieuwe Uilenburgerstraat, Waterlooplein) suggereren een mogelijke connectie met de Joodse gemeenschap in Amsterdam. In de latere oorlogsjaren zouden vergunningen voor Joodse marktkooplieden stelselmatig worden ingetrokken door de bezetter, wat dit document een wrange historische lading geeft: het toont een vrouw die probeert de zaak van haar overleden man legaal voort te zetten, vlak voordat de wereld voor de Amsterdamse Joden drastisch zou veranderen.

Gerelateerde Documenten 2