Officieel ambtelijk advies/notitie (Alg. Zaken Model No. 14).
Origineel
Officieel ambtelijk advies/notitie (Alg. Zaken Model No. 14). Verschillende data variërend van 13 maart tot 22 maart 1940. [Stempel linksboven:]
BIJBLAD VAN:
M. No. 20/2/2 1940
DOORGEZONDEN: 13/3-'40
[Rechtsboven handgeschreven:]
93
[Handgeschreven tekst centraal:]
Ingp.
Adviés v. v. p.
14 - III - '40
Wp.
Tegen inwilliging van het verzoek van mw. de Wed. B. Lahnstein – Bakker om de vergunning [van het houden van pinda's op de markten] ~~van haar~~ [van haar] echtgenoot, welke overleden is, op haar naam te doen overschrijven, bestaat bij mij geen bezwaar.
Tevens bestaat er bij mij geen bezwaar om haar ook toe te staan ~~om~~ pinda’s te mogen bakken op de markten in de Uilenburgerstraat, Ten Katestraat en Waterl. plein.
"Geen bezwaar." 20-3-'40.
22-3-'40 [Handtekening/Paraaf]
[Onderaan links gedrukt:]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Dit document is een ambtelijk advies, waarschijnlijk van de Amsterdamse politie (gezien de afkorting "v.v.p.", mogelijk voor Commissaris van Politie), met betrekking tot een vergunningsaanvraag voor markthandel.
Mevrouw de Weduwe B. Lahnstein-Bakker heeft verzocht om de marktvergunning van haar overleden echtgenoot op haar naam te laten overzetten. De vergunning betreft specifiek het verkopen en bakken van pinda's op drie bekende Amsterdamse markten: de Uilenburgerstraat, de Ten Katestraat en het Waterlooplein. De adviserende instantie geeft aan dat er "geen bezwaar" is tegen deze overdracht en de uitbreiding van de vergunning met het ter plekke bakken van de pinda's. Het document dateert van maart 1940, slechts twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. In deze periode was de markthandel in Amsterdam strikt gereguleerd via een vergunningenstelsel. Het overdragen van een vergunning na het overlijden van een echtgenoot was een gebruikelijke procedure om het inkomen van de achterblijvende weduwe te waarborgen.
De genoemde locaties zijn historisch significant: de Uilenburgerstraat en het Waterlooplein lagen in het hart van de oude Joodse buurt van Amsterdam, waar straathandel een essentieel onderdeel van het dagelijks leven was. De verkoop van vers gebrande pinda's was een populaire vorm van kleine nering op deze markten. Dit document geeft een inkijkje in de bureaucratische afhandeling van dergelijke kleine ondernemingen vlak voor de ingrijpende veranderingen die de bezetting teweeg zou brengen. B. Lahnstein M. No Politie
Samenvatting
Dit document is een ambtelijk advies, waarschijnlijk van de Amsterdamse politie (gezien de afkorting "v.v.p.", mogelijk voor Commissaris van Politie), met betrekking tot een vergunningsaanvraag voor markthandel.
Mevrouw de Weduwe B. Lahnstein-Bakker heeft verzocht om de marktvergunning van haar overleden echtgenoot op haar naam te laten overzetten. De vergunning betreft specifiek het verkopen en bakken van pinda's op drie bekende Amsterdamse markten: de Uilenburgerstraat, de Ten Katestraat en het Waterlooplein. De adviserende instantie geeft aan dat er "geen bezwaar" is tegen deze overdracht en de uitbreiding van de vergunning met het ter plekke bakken van de pinda's.
Historische Context
Het document dateert van maart 1940, slechts twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. In deze periode was de markthandel in Amsterdam strikt gereguleerd via een vergunningenstelsel. Het overdragen van een vergunning na het overlijden van een echtgenoot was een gebruikelijke procedure om het inkomen van de achterblijvende weduwe te waarborgen.
De genoemde locaties zijn historisch significant: de Uilenburgerstraat en het Waterlooplein lagen in het hart van de oude Joodse buurt van Amsterdam, waar straathandel een essentieel onderdeel van het dagelijks leven was. De verkoop van vers gebrande pinda's was een populaire vorm van kleine nering op deze markten. Dit document geeft een inkijkje in de bureaucratische afhandeling van dergelijke kleine ondernemingen vlak voor de ingrijpende veranderingen die de bezetting teweeg zou brengen.