Archief 745
Inventaris 745-334
Pagina 218
Dossier 2C
Jaar 1940
Stadsarchief

Typoscript (doorslag), waarschijnlijk een ambtelijk verslag of briefrapportage.

Origineel

Typoscript (doorslag), waarschijnlijk een ambtelijk verslag of briefrapportage. handel had genoten; Lindeman is namelijk sedert 1911 kleinhandelaar in groenten en fruit, doch groothandel werd door hem niet gedreven.

In 1939 heeft Lindeman zijn verzoek om erkenning als groothandelaar herhaald. Terzake is toen door den Centralen Crisis Contrôle-Dienst een zeer uitvoerig rapport uitgebracht. Lindeman legde, evenals in 1938, verklaringen over van twee veilingbesturen, dat hij als groothandelaar inkocht (deze verklaringen moeten, naar de Directie der Groente en Fruit-centrale mij verklaarde, aldus worden begrepen, dat hij als handelaar groote partijen inkocht, hetgeen in den regel groothandelaren doen, doch ook door een inkooper voor zes winkelzaken kan geschieden). De Centrale heeft hem in het najaar van 1939 als groothandelaar erkend, omdat zij van oordeel is, dat het feit, dat Lindeman nu reeds sedert jaren groote partijen op veilingen kocht, aantoont, dat hij voldoende kennis, ook voor den groothandel heeft. Of hij inderdaad groothandel drijft, interesseert de Centrale niet. Haar beslissing werd tevens beinvloed door het aanhangige plan - dat tengevolge van de huidige omstandigheden nog steeds niet werd uitgevoerd - om het verschil tusschen groot- en kleinhandelserkenningen op te heffen; reeds thans is de Centrale zeer soepel bij overschrijving van de eene erkenning naar de andere. Zooals mij door de Directie der Centrale is verklaard, heeft Lindeman hiervan ongetwijfeld geprofiteerd.

Dat hij echter beslist geen grossier is, ondanks zijn erkenning, staat voor de Centrale vast. De heer Mr. Van Vugt stelt in het in den aanhef bedoelde stuk, dat de aard van de werkzaamheden van Lindeman, die van een grossier zouden zijn en dat Lindeman, evenals 5 andere personen, die hij in dienst heeft, broodelooz zouden worden, als Lindeman zich niet op de Centrale Markt mag vestigen. Deze voorstelling van zaken is in strijd met de waarheid: Lindeman ontvangt - naar mij vertrouwelijk door de Directie der Centrale uit het bovenbedoelde rapport van den Centralen Crisis Contrôle Dienst werd voorgelezen - f 10,- per week salaris van elken van zijn zes broers en daarvoor koopt hij de waren in, die zijn broers bestellen of hij laat die waren zelfs voor het meerendeel inkoopen. Zijn salarieering als inkooper is mijns inziens een van de kernpunten van de geheele quaestie. Ik heb daarom reeds van te voren in een mondeling onderhoud, dat ik terzake met hen had, den Heeren Mr. Van Vugt en D.R. Lindeman de vraag gesteld: "Hoe kunt U in feite als grossier tegenover Uw eigen broers optreden? U verdient immers vast loon". Het antwoord luidde: "Neen, ik neem een zekere grossierswinst al naar de inkoopprijzen, en ik verlies ook wel eens geld aan deze inkoopen". Deze belachelijke voorstelling van zaken werd door Mr. Van Vugt niet tegengesproken, hetgeen mijns inziens minder te pas komt, dan hetgeen hij mij in zijn brief wil aanwrijven.

Dat een inkooper en eventueel personeel, dat hij in dienst heeft, broodelooz worden, als door het Gemeentelijke voorschrift niet langer op veilingen buiten de Centrale Markt mag worden gekocht is ten deele mogelijk, hoewel niet waarschijnlijk, aangezien toch ook op de Centrale Markt van de diensten van den inkooper gebruik moet worden gemaakt. Hoe dit zij, dat de inkooper nu zoogenaamd grossier zou moeten worden, alleen om ongestoord, in strijd met de door het Gemeentebestuur gestelde voorschriften, voor winkelzaken buiten de Centrale Markt te kunnen blijven koopen, is wel zeer ongewenscht. De tekst betreft een kritisch verslag over de handelsactiviteiten van een zekere Lindeman. Lindeman was van oorsprong kleinhandelaar (sinds 1911), maar probeerde vanaf 1938-1939 de status van 'groothandelaar' te verkrijgen. Hoewel de Groente en Fruit-centrale deze status formeel heeft toegekend, stelt de auteur van dit document dat dit onterecht is.

De kern van het geschil is dat Lindeman feitelijk fungeert als centrale inkoper voor zijn zes broers, die elk een eigen winkel hebben. Hij krijgt hiervoor een vast loon van 10 gulden per week per broer. De auteur betoogt dat dit geen echte groothandel (grossierderij) is, maar een constructie om gemeentelijke voorschriften te omzeilen. Door zich als grossier voor te doen, probeert Lindeman het recht te behouden om direct op veilingen in te kopen buiten de reguliere Centrale Markt om, wat in strijd is met de geldende regels voor winkeliers. De advocaat van Lindeman, Mr. Van Vugt, wordt verweten een valse voorstelling van zaken te geven door te claimen dat Lindeman en zijn personeel "broodeloos" zouden worden bij handhaving van de regels. Dit document bevindt zich op het snijvlak van de naweeën van de economische crisis van de jaren '30 en het begin van de Duitse bezetting in Nederland. De Centralen Crisis Contrôle-Dienst (CCCD) was een overheidsorgaan dat toezicht hield op de naleving van de distributie- en prijswetgeving.

Tijdens deze periode was de handel in schaarse goederen zoals groenten en fruit streng gereguleerd om prijsopdrijving en zwarte handel te voorkomen. Er bestond een scherp onderscheid tussen de rechten van een kleinhandelaar (winkelier) en een groothandelaar (grossier). Groothandelaars hadden vaak ruimere bevoegdheden wat betreft inkoop op veilingen. De "huidige omstandigheden" waarnaar verwezen wordt, duiden waarschijnlijk op de oorlogssituatie, waarin de centrale regie over de voedselvoorziening nog verder werd aangescherpt via instellingen als de Rijksbureaus en de centrale markten. De discussie over de status van Lindeman is een typisch voorbeeld van de bureaucratische strijd die gevoerd werd over marktposities in een streng gereguleerde economie.

Samenvatting

De tekst betreft een kritisch verslag over de handelsactiviteiten van een zekere Lindeman. Lindeman was van oorsprong kleinhandelaar (sinds 1911), maar probeerde vanaf 1938-1939 de status van 'groothandelaar' te verkrijgen. Hoewel de Groente en Fruit-centrale deze status formeel heeft toegekend, stelt de auteur van dit document dat dit onterecht is.

De kern van het geschil is dat Lindeman feitelijk fungeert als centrale inkoper voor zijn zes broers, die elk een eigen winkel hebben. Hij krijgt hiervoor een vast loon van 10 gulden per week per broer. De auteur betoogt dat dit geen echte groothandel (grossierderij) is, maar een constructie om gemeentelijke voorschriften te omzeilen. Door zich als grossier voor te doen, probeert Lindeman het recht te behouden om direct op veilingen in te kopen buiten de reguliere Centrale Markt om, wat in strijd is met de geldende regels voor winkeliers. De advocaat van Lindeman, Mr. Van Vugt, wordt verweten een valse voorstelling van zaken te geven door te claimen dat Lindeman en zijn personeel "broodeloos" zouden worden bij handhaving van de regels.

Historische Context

Dit document bevindt zich op het snijvlak van de naweeën van de economische crisis van de jaren '30 en het begin van de Duitse bezetting in Nederland. De Centralen Crisis Contrôle-Dienst (CCCD) was een overheidsorgaan dat toezicht hield op de naleving van de distributie- en prijswetgeving.

Tijdens deze periode was de handel in schaarse goederen zoals groenten en fruit streng gereguleerd om prijsopdrijving en zwarte handel te voorkomen. Er bestond een scherp onderscheid tussen de rechten van een kleinhandelaar (winkelier) en een groothandelaar (grossier). Groothandelaars hadden vaak ruimere bevoegdheden wat betreft inkoop op veilingen. De "huidige omstandigheden" waarnaar verwezen wordt, duiden waarschijnlijk op de oorlogssituatie, waarin de centrale regie over de voedselvoorziening nog verder werd aangescherpt via instellingen als de Rijksbureaus en de centrale markten. De discussie over de status van Lindeman is een typisch voorbeeld van de bureaucratische strijd die gevoerd werd over marktposities in een streng gereguleerde economie.

Gerelateerde Documenten 6