Archief 745
Inventaris 745-348
Pagina 251
Dossier 106
Jaar 1941
Stadsarchief

Dienstbrief / Rapportage

7 november 1941

Origineel

Dienstbrief / Rapportage 7 november 1941 [Koptekst/Stempel]
BIJBLAD VAN:
M. No. 20 30/1 1941
DOORGEZONDEN: 6/11-’41.

[Handgeschreven bovenmarge]
rapport agent v. Pol. H.F.J. Kipping 26/30/2
i.z. Van Engel
A’dam, 7/11 1941
W. L. M.

[Hoofdtekst]
In bijlage dezes heb ik de eer U een afschrift te zenden van een [doorgehaald: mij door den] rapport van den A. v. P. H.F.J. Kipping dd. 3 dezer. Ik moge U beleefd verzoeken te doen nagaan of in het onderhavige geval moet worden aangenomen, dat Van Engel indirect deelneemt aan het marktverkeer.

Ik merk hierbij op, dat uiteraard de mogelijkheid bestaat, dat niet-joodsche marktkooplieden hun artikelen koopen van joodsche leveranciers. De mogelijkheid is echter evenmin uitgesloten, dat niet-joodsche marktkooplieden, hetzij op provisiebasis, hetzij tegen een vaste vergoeding artikelen t.b.v. een joodschen koopman verkoopen. Contrôle hierop door de overheid is vrijwel niet mogelijk. Indien mogelijk zou ik gaarne van U vernemen in hoeverre moet worden aangenomen, dat hierbij in strijd met de bekende verordening van 15 Sept. jl. wordt gehandeld.

[Marge links, verticaal geschreven]
T de aangelegenheid betreft dat gevallen, waarin dergelijke verhoudingen bestaan, ter kennis van mijn dienst zouden komen.

[Onderaan rechts]
(Handtekening/Paraaf)

[Voorgedrukte voetnoot]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Het document is een ambtelijke correspondentie uit de Tweede Wereldoorlog, specifiek uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland. De kern van de brief is een verzoek om juridische of beleidsmatige verduidelijking betreffende de economische uitsluiting van Joden.

De schrijver signaleert een methode waarbij de anti-Joodse maatregelen (het verbod op deelname aan openbare markten) worden omzeild. Er wordt gesproken over "Van Engel" die mogelijk "indirect" deelneemt aan het marktverkeer. De schrijver schetst twee scenario's:
1. Niet-Joodse kooplui die simpelweg goederen inkopen bij Joodse leveranciers (wat mogelijk legaal was).
2. Niet-Joodse kooplui die fungeren als 'stroman' (op provisiebasis of vaste vergoeding) voor Joodse handelaren.

De opmerking dat "contrôle hierop door de overheid vrijwel niet mogelijk is" getuigt van de praktische moeite die de bezetter en collaborerende instanties hadden met het handhaven van de economische isolatie van de Joodse bevolking. De brief dateert van november 1941. Dit is een cruciale fase in de Holocaust in Nederland, waarin de economische "Arisering" in volle gang was.

De genoemde "verordening van 15 sept. jl." verwijst naar Verordening 154/1941, die op 15 september 1941 werd uitgevaardigd. Deze verordening beperkte de bewegingsvrijheid van Joden drastisch; zij mochten onder andere niet meer deelnemen aan openbare markten, beurzen en veilingen. Ook werd het hen verboden om in openbare parken, bioscopen en horeca te komen.

Dit document illustreert hoe de politie en administratieve instanties nauwgezet toezagen op de naleving van deze segregerende wetten en probeerden mazen in de wet (zoals het gebruik van niet-Joodse tussenpersonen) te dichten. Het dossiernummer en de stempels wijzen op een systematische archivering van dit soort economische 'delicten' in de context van de Jodenvervolging.

Samenvatting

Het document is een ambtelijke correspondentie uit de Tweede Wereldoorlog, specifiek uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland. De kern van de brief is een verzoek om juridische of beleidsmatige verduidelijking betreffende de economische uitsluiting van Joden.

De schrijver signaleert een methode waarbij de anti-Joodse maatregelen (het verbod op deelname aan openbare markten) worden omzeild. Er wordt gesproken over "Van Engel" die mogelijk "indirect" deelneemt aan het marktverkeer. De schrijver schetst twee scenario's:
1. Niet-Joodse kooplui die simpelweg goederen inkopen bij Joodse leveranciers (wat mogelijk legaal was).
2. Niet-Joodse kooplui die fungeren als 'stroman' (op provisiebasis of vaste vergoeding) voor Joodse handelaren.

De opmerking dat "contrôle hierop door de overheid vrijwel niet mogelijk is" getuigt van de praktische moeite die de bezetter en collaborerende instanties hadden met het handhaven van de economische isolatie van de Joodse bevolking.

Historische Context

De brief dateert van november 1941. Dit is een cruciale fase in de Holocaust in Nederland, waarin de economische "Arisering" in volle gang was.

De genoemde "verordening van 15 sept. jl." verwijst naar Verordening 154/1941, die op 15 september 1941 werd uitgevaardigd. Deze verordening beperkte de bewegingsvrijheid van Joden drastisch; zij mochten onder andere niet meer deelnemen aan openbare markten, beurzen en veilingen. Ook werd het hen verboden om in openbare parken, bioscopen en horeca te komen.

Dit document illustreert hoe de politie en administratieve instanties nauwgezet toezagen op de naleving van deze segregerende wetten en probeerden mazen in de wet (zoals het gebruik van niet-Joodse tussenpersonen) te dichten. Het dossiernummer en de stempels wijzen op een systematische archivering van dit soort economische 'delicten' in de context van de Jodenvervolging.

Locaties

Amsterdam (A’dam)

Gerelateerde Documenten 6