Handgeschreven memo/politierapport.
Origineel
Handgeschreven memo/politierapport. 5 november 1941. 5-11-41
Kapitein Groothuist Pol.
Maandag 3 Nov 41 maakt
omgeving Linnaeusstraat
de Hartog Domselaerstraat
zich bezwaard met huister-
koopheden, die op haar
naam Engel voerden.
Engel is jood. Volgens
Hartog moest naam Engel
van de kar af. Volgens
~~vraag pol.~~ Warenwet moet
naam op de kar staan.
Is deze verkoop gecamoufle-
rt. door een jood?
Wat is standpunt dep.
daartegenover.
Id. Zal rapport zenden met
verzoek voor principieel
later uitmaken.
—
[paraaf]
fuy, 20/20 17.41 [in rode inkt] Dit document is een ambtelijke notitie over een melding van een persoon genaamd De Hartog. Het gaat over een kar die in de omgeving van de Linnaeusstraat wordt gebruikt voor handel ("huisterkoopheden", waarschijnlijk een verbastering of specifieke term voor huis-aan-huis verkoop).
De melding betreft het feit dat de naam "Engel" op de kar stond, terwijl de eigenaar Joods is. Er is sprake van een conflict tussen verschillende regels: enerzijds de Warenwet (die verplicht dat een naam op de kar staat) en anderzijds de wens of poging om de Joodse identiteit van de onderneming te verbergen. De opsteller vraagt zich af of er sprake is van een "gecamoufleerde" verkoop, een term die destijds veelvuldig werd gebruikt voor Joodse bedrijven die formeel aan niet-Joden werden overgedragen om aan de anti-Joodse maatregelen te ontsnappen. De ambtenaar stelt voor om een rapport op te stellen voor een "principieel" besluit van het departement. De notitie dateert van november 1941, ruim anderhalf jaar na de start van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode waren de anti-Joodse verordeningen in volle gang. In maart 1941 was Verordening 48/1941 van kracht geworden, die de "arisering" van Joodse bedrijven regelde.
Joodse ondernemers probeerden hun broodwinning vaak te redden door hun zaak op papier over te dragen aan niet-Joodse kennissen of zakenpartners (zogenaamde 'stromannen'). De bezetter en de meewerkende Nederlandse politie zochten actief naar dergelijke "gecamoufleerde" constructies. De straatnamen in de notitie duiden op Amsterdam-Oost, een buurt die in die tijd een aanzienlijke Joodse bevolking kende.
Samenvatting
Dit document is een ambtelijke notitie over een melding van een persoon genaamd De Hartog. Het gaat over een kar die in de omgeving van de Linnaeusstraat wordt gebruikt voor handel ("huisterkoopheden", waarschijnlijk een verbastering of specifieke term voor huis-aan-huis verkoop).
De melding betreft het feit dat de naam "Engel" op de kar stond, terwijl de eigenaar Joods is. Er is sprake van een conflict tussen verschillende regels: enerzijds de Warenwet (die verplicht dat een naam op de kar staat) en anderzijds de wens of poging om de Joodse identiteit van de onderneming te verbergen. De opsteller vraagt zich af of er sprake is van een "gecamoufleerde" verkoop, een term die destijds veelvuldig werd gebruikt voor Joodse bedrijven die formeel aan niet-Joden werden overgedragen om aan de anti-Joodse maatregelen te ontsnappen. De ambtenaar stelt voor om een rapport op te stellen voor een "principieel" besluit van het departement.
Historische Context
De notitie dateert van november 1941, ruim anderhalf jaar na de start van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode waren de anti-Joodse verordeningen in volle gang. In maart 1941 was Verordening 48/1941 van kracht geworden, die de "arisering" van Joodse bedrijven regelde.
Joodse ondernemers probeerden hun broodwinning vaak te redden door hun zaak op papier over te dragen aan niet-Joodse kennissen of zakenpartners (zogenaamde 'stromannen'). De bezetter en de meewerkende Nederlandse politie zochten actief naar dergelijke "gecamoufleerde" constructies. De straatnamen in de notitie duiden op Amsterdam-Oost, een buurt die in die tijd een aanzienlijke Joodse bevolking kende.