Getypte ambtelijke brief/memorandum.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/memorandum. 10 november 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst voor het Marktwezen of een gelieerde gemeentelijke dienst). [Handgeschreven rechtsboven:] door C. de Laan
[Handgeschreven midden boven in blauw potlood:] Verzonden 11/11
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
20/30/2 M 1 10 November 1941.
Rapport agent van politie
H.F.J.Kipping i.z. Van Engel.
In bylage dezes heb ik de eer U een afschrift te
zenden van een my door den Commissaris der Orde-Politie toe-
gezonden rapport van den agent van politie H.F.J.Kipping d.d.
3 dezer. Ik moge U beleefd verzoeken te doen nagaan, of in het
onderhavige geval moet worden aangenomen, dat Van Engel indi-
rect deelneemt aan het marktverkeer.
Ik merk hierby op, dat uiteraard de mogelykheid be-
staat, dat niet-Joodsche marktkooplieden hun artikelen koopen
van Joodsche leveranciers. De mogelykheid is echter evenmin
uitgesloten, dat niet-Joodsche marktkooplieden, hetzy op pro-
visie-basis, hetzy tegen een vaste vergoeding artikelen t.b.v.
een Joodschen koopman verkoopen. Contrôle hierop door de Over-
heid is vrywel niet mogelyk. De kans bestaat echter, dat ge-
vallen, waarin dergelyke verhoudingen bestaan, ter kennis van
myn dienst zouden komen. Indien mogelyk zou ik gaarne van U
vernemen in hoeverre moet worden aangenomen, dat hierby in
stryd met de bekende Verordening van 15 September jl. wordt
gehandeld.
De Directeur, Dit document is een treffend voorbeeld van de ambtelijke uitvoering van de anti-Joodse maatregelen tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De kern van de brief is een verzoek tot onderzoek naar de activiteiten van een persoon genaamd Van Engel. De autoriteiten vermoeden dat hij de verbodsbepalingen omzeilt door middel van stroman-constructies.
De tekst belicht de methoden die werden gebruikt om Joodse burgers uit het economische leven te weren:
1. Toezicht: De politie (Orde-Politie) rapporteert over individuen aan de civiele autoriteiten.
2. Verbod op deelname: Er wordt getoetst of er sprake is van "indirecte deelname" aan het marktverkeer.
3. Argwaan tegenover samenwerking: De "Directeur" wijst op de mogelijkheid dat niet-Joodse handelaren optreden als tussenpersoon voor Joodse kooplieden (op provisiebasis of tegen vaste vergoeding).
4. Handhaving: Er wordt expliciet verwezen naar een "Verordening van 15 September jl." (1941) als juridische basis voor de uitsluiting.
De toon van de brief is strikt zakelijk en procedureel ("heb ik de eer", "beleefd verzoeken"), wat de banaliteit van de bureaucratische vervolging onderstreept. In november 1941 was de uitsluiting van Joden in Nederland in een stroomversnelling geraakt. Sinds de inval in mei 1940 voerden de nazi's stapsgewijs verordeningen in om de Joodse bevolking te isoleren en te onteigenen ("Arisering").
De genoemde Verordening van 15 september 1941 (waarschijnlijk Verordening 178/1941) was een ingrijpende maatregel die Joden de toegang ontzegde tot openbare parken, horeca, musea, bibliotheken en markten. Specifiek voor Amsterdam betekende dit dat Joodse markthandelaren hun vergunningen verloren en niet meer mochten verschijnen op de reguliere markten. Alleen op speciaal aangewezen "Joodse markten" mochten zij nog beperkt handel drijven.
Dit document toont aan hoe de Amsterdamse gemeentelijke diensten (zoals de wethouder voor Levensmiddelen en de marktdienst) nauw samenwerkten met de politie om te controleren of Joodse burgers niet via niet-Joodse relaties toch nog goederen verkochten. Het illustreert de totale controle die de bezetter nastreefde over het economische leven van de Joodse minderheid.