Handgeschreven memo of conceptbrief, waarschijnlijk van een gemeentelijk ambtenaar of marktmeester.
Origineel
Handgeschreven memo of conceptbrief, waarschijnlijk van een gemeentelijk ambtenaar of marktmeester. Welh. Hr.
Inzake rapport politie.
Verzoeke te doen nagaan
of in het onderhavige geval
W. Engel moet worden aangemerkt
indirect deel te nemen aan
de markt.
Mogelijkheid bestaat (natuurlijk)
niet-Joodsche marktkooplieden
hun artikelen koopen van
Joodsche leveranciers.
Echter ook mogelijk dat
zij tegen een provisie hun
[doorgestreept: naam/staanplaats?] en een vaste
vergoeding artikelen ten behoeve
van een joodsch persoon verkoopen.
In dat geval moet worden
aangenomen dat hierbij in
tegenstrijd met verord. 15 Sept.
wordt gehandeld.
Controle uiterst moeilijk.
[Onderste alinea is met een groot kruis doorgestreept:]
Het komt mij voor dat de Markt-
eig. [eigenaar] bevoegd is [onleesbaar] de koopman
te schorsen [onleesbaar] en dat op
die wijze [onleesbaar] maatregelen
[onleesbaar] zijn.
[In de linkermarge, verticaal geschreven:]
Ik heb inmiddels een gesprek gehad met de Inspecteur van Politie over deze zaak. Dit document betreft een interne correspondentie over de handhaving van de Duitse verordeningen tijdens de bezetting van Nederland. De kern van de zaak is de verdenking dat een marktkoopman genaamd W. Engel optreedt als stroman voor Joodse handelaren.
De schrijver identificeert twee scenario's:
1. De koopman koopt simpelweg goederen in bij Joodse leveranciers (wat mogelijk nog binnen een grijs gebied viel).
2. De koopman verkoopt goederen namens een Joods persoon tegen een vaste vergoeding of provisie.
Het tweede scenario wordt aangemerkt als een directe overtreding van de geldende verordeningen. De schrijver merkt op dat controle hierop "uiterst moeilijk" is, wat de complexiteit van de bureaucratische vervolging in die tijd illustreert. De doorgestreepte sectie onderaan suggereert een aarzeling over de juiste strafmaat (schorsing door de markteigenaar). Het document moet geplaatst worden in de context van de "Arisering" van de Nederlandse economie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 15 september 1941 vaardigden de Duitse bezetters Verordening 154/1941 uit, die het Joden verbood om markten te bezoeken of daar handel te drijven.
Om hun broodwinning te behouden, probeerden sommige Joodse handelaren via niet-Joodse collega's ("stromannen") hun waar te blijven verkopen. De bezettingsautoriteiten en collaborerende instanties probeerden deze praktijken hardhandig de kop in te drukken. Dit document is een direct bewijsstuk van de nauwe samenwerking tussen politie en marktwezen om de uitsluiting van Joden uit het economische leven te controleren en te handhaven.