Officiële brief van de Gemeente Amsterdam.
Origineel
Officiële brief van de Gemeente Amsterdam. 20 november 1941. De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen. De Heer Directeur van den Dienst van het Marktwezen, Amsterdam. GEMEENTE AMSTERDAM
AFD. L.M.
No. 1051 (1941).
BIJLAGEN
AMSTERDAM, 20 November 1941.
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD
NAUWKEURIG HET NUMMER VAN DIT SCHRIJVEN
EN DE AFDEELING TE VERMELDEN.
[Paars stempel:] № 20/30/3 M. 1941 [Handgeschreven:] 22/11 m.i. Dir Insp d[...]
Naar aanleiding van Uw schrijven van
10 November j.l., No. 20/30/2 M, No. 1051
L.M. 1941, bericht ik U, dat art. 2 van
de verordening van den Rijkscommissaris
over het optreden van Joden in het openbaar
ook verbiedt het indirect deelnemen aan
markten. Het ijs van Van Engel zal mitsdien
niet meer op de Arische markten verkocht
mogen worden.
HD
De Wethouder voor de Levensmiddelen,
Wasch- en schoonmaak-, bad- en zwem-
inrichtingen,
[Handtekening]
[Handgeschreven initiaal 'h']
Aan den Heer Directeur van den Dienst
van het Marktwezen,
Amsterdam.
Model G.A. 5
2 5000-1-'40 Dit document is een treffend voorbeeld van de bureaucratische uitvoering van de Jodenvervolging in bezet Nederland. De brief, opgesteld door het Amsterdamse gemeentebestuur, informeert de Dienst van het Marktwezen over een aanscherping van de regels.
De kern van de beslissing ligt in de interpretatie van "indirect deelnemen". Hoewel een Joodse ondernemer (in dit geval Van Engel, eigenaar van een bekende ijsfabriek) wellicht niet zelf fysiek op de markt stond, werd de verkoop van zijn producten door derden nu ook verboden. De terminologie "Arische markten" onderstreept de volledige acceptatie en implementatie van de racistische nazi-ideologie binnen het ambtelijk apparaat van de stad. De toon is zakelijk en procedureel, wat het banale karakter van het kwaad in deze administratieve context illustreert. In november 1941 was de uitsluiting van Joden uit het economische en openbare leven in volle gang. De genoemde "verordening van den Rijkscommissaris" verwijst naar Verordening 138/1941 (11 augustus 1941), die het optreden van Joden in het openbaar aan banden legde.
Abraham van Engel was een Joodse ondernemer met een ijsfabriek aan de Albert Cuypstraat. Deze brief markeert een cruciaal moment in de vernietiging van zijn bestaansrecht: door zijn producten te verbieden op de reguliere ("Arische") markten, werd zijn afzetmarkt effectief vernietigd. Dit was een opmaat naar de uiteindelijke "arisering" (onteigening) of liquidatie van Joodse bedrijven. Het document toont aan hoe de Gemeente Amsterdam fungeerde als een doorgeefluik en uitvoerder van de verordeningen van Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart.