Ambtelijke notitie / interne correspondentie.
Origineel
Ambtelijke notitie / interne correspondentie. 12 december 1941 (onderaan) en 19 december 1941 (aantekening rechtsboven). [Rechtsboven, in kader:]
Inspecteur
Zou U Wels nog
hooren? HD 19/12 '41
[Hoofdtekst:]
Dir.
Inderdaad gelden m.i.m.m. nog
dezelfde motieven als
vervat in den brief aan
W.v.M. dd. 9/7 jl. No
32/5/2 M. Dit blijkt ook wel
uit de nieuwe enquête van
Revers.
Echter rijst toch de vraag
of men voor 20 kooplieden
een markt in stand moet
houden en of het inderdaad
uiteindelijk niet in het
belang der kooplieden is om
Dstr. en Sum str. samen te
voegen, vooral waar S.str. alleen
op Zaterdag wordt gehouden
en de markt op Zaterdag in
de Dstr. toch ook nog een levendig
karakter heeft.
ThW 12/12 '41 * Inhoud: Het document is een intern advies over de levensvatbaarheid van een kleine markt (de Sumatramarkt). De schrijver (ThW) stelt dat de eerdere argumenten uit juli 1941 nog steeds gelden, ondersteund door een recente enquête. Er wordt getwijfeld of het handhaven van een markt voor slechts 20 kooplieden wel doelmatig is.
* Voorstel: Het samenvoegen van de markt in de Sumatrastraat (Sum str. / S.str.) met de markt in de Dapperstraat (Dstr.). De motivatie is dat de Sumatramarkt alleen op zaterdag plaatsvindt, terwijl de Dappermarkt op die dag zeer levendig is, wat een samenvoeging gunstig zou maken voor de kooplieden.
* Terminologie: "m.i.m.m." staat voor mutatis mutandis (met de nodige veranderingen). "W.v.M." verwijst zeer waarschijnlijk naar de Wethouder van Marktwezen. Dit document stamt uit december 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode vond er een sterke regulering en centralisatie van de Amsterdamse markten plaats. Specifiek in Amsterdam-Oost werden markten geherstructureerd, mede door de anti-Joodse maatregelen van de bezetter: Joodse marktkooplieden en bezoekers werden in deze periode verbannen naar speciaal aangewezen "Jodenmarkten" (zoals op het Waterlooplein en de Gaaspstraat).
Hoewel deze specifieke notitie zich lijkt te concentreren op economische efficiëntie (het geringe aantal van 20 kooplieden), vond dit alles plaats tegen de achtergrond van een drastisch veranderend marktwezen in een bezette stad, waarbij kleinere markten vaak werden opgeheven of samengevoegd om de controle te vergemakkelijken. De Dappermarkt bleef gedurende de gehele oorlog een centraal punt voor de voedselvoorziening in Oost.