Archief 745
Inventaris 745-355
Pagina 200
Dossier 17
Jaar 1941
Stadsarchief

Tweede pagina van een ambtelijke brief/rapportage.

15 oktober 1942. Van: Directeur van het Marktwezen en de Gemeentelijk Adviseur (Amsterdam).

Origineel

Tweede pagina van een ambtelijke brief/rapportage. 15 oktober 1942. Directeur van het Marktwezen en de Gemeentelijk Adviseur (Amsterdam). Bladzijde 2 van brief No. 37/101/5 M. d.d. 15 October 1942 aan den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur van het Marktwezen en den Gemeentelijken Adviseur.

Markt, waarbij het aan winkeliers verboden is van grossiers buiten de Centrale Markt te koopen, wordt overtreden, terwijl door hem deze leveranties worden verzorgd.
De heer Esveld Jr. verschoont zich hierover door op te merken, dat deze handelwijze een gevolg is van het niet toelaten op de Centrale Markt, terwijl hij daarbij opmerkt, dat aan den gestelden regel ook door het Marktwezen niet streng de hand wordt gehouden. Dit laatste is juist en geschied, zooals U bekend in verband met de bijzondere tijdsomstandigheden.
Niet onvermeld mag blijven, dat een op algemeen ervaring berust vermoeden bestaat, dat Esveld Jr. als grossier wil optreden om aan zijn familieleden, die kleinhandelaarszaken drijven, deze tegen grossiersprijzen te leveren en voorts, dat hij voor het Saxenburger-concern inkoopt, die zijn zaken elders heeft, zoodat bij toelating van hem op de Centrale Markt te vreezen is, dat hij zal trachten goed op de veiling aldaar te krijgen om het naar de zaken van bovengenoemd concern buiten de stad te verzenden.
De vraag is nu, welke beslissing bij al dit gegeven valt te nemen.
De Centrale Markt heeft geen behoefte aan vermeerdering van het aantal grossiers; wel aan verhooging van den aanvoer van goederen. Wat dit laatste betreft, mag worden aangenomen, dat bij eventueele toelating van Esveld Jr. eenige verhooging van den aanvoer mag worden verwacht. Overdreven verwachtingen mag men ten deze zeker niet koesteren.
Overziet men het een en ander, dan moet worden gesteld, dat het hier gaat om een zakenman van nog klein formaat, die het in Amsterdam wil probeeren en waar in feite niet voldoende tegen is aan te voeren om hem niet tot de Centrale Markt toe te laten.
De eerste ondergetekende meent echter, bij zijn aanvankelijk ingenomen standpunt te moeten blijven volharden, dit te meer, nu hij nog zeer onlangs van den Secretaris van de Vakgroep Groothandel in groente en fruit, Mr. Schendeling, in een telefonisch onderhoud heeft vernomen, dat tegen het einde van dit jaar een beslissing van de bedrijfsorganisatie voor groente en fruit mag worden tegemoet gezien, waarbij uitgemaakt zal zijn, wie als grossier zal zijn erkend en wien punten op de veilingen zal toegewezen worden. Het commissionnairsvraagstuk zal dan over het geheele land geregeld zijn.
Voorts zou het, naar de mededeelingen van denzelfden heer Schendeling, in de bedoeling liggen om degenen, die den laatsten tijd uitsluitend of voornamelijk hun goederen hebben betrokken van commissionnairs op de veilingen, die zich niet hebben gedragen naar het officieele voorschrift om hun oude relaties te blijven bedienen, uit te sluiten. Deze uitsluiting zou men reeds binnen het bestek van twee of vier weken willen toepassen. De kans, dat Esveld hieronder zal vallen, wordt door de eerste ondergetekende vrij groot geacht.
Laatste ondergetekende kan omtrent de eerste mededeeling van Mr. Schendeling de goede verwachting, dat reeds in December a.s. de omvangrijke en ingrijpende aangelegenheid van een regeling over het geheele land wie er als grossier zal zijn erkend en aan wien punten zullen worden toegekend, niet deelen. Evenmin durft hij er staat op maken, dat de zaak waarover het in de tweede mededeeling van Mr. Schendeling gaat, over eenige weken zal geregeld zijn. De tweede ondergetekende meent overi- Dit document betreft een intern ambtelijk advies over de toelating van een specifieke handelaar, Esveld Jr., tot de Centrale Markt in Amsterdam. De kernpunten zijn:

  1. Handhavingsproblematiek: Esveld Jr. overtreedt de regels door buiten de Centrale Markt om te leveren aan winkeliers. Hij verdedigt zich door te wijzen op het feit dat hij niet wordt toegelaten tot de markt en dat de regels door de overheid zelf momenteel niet streng worden gehandhaafd ("bijzondere tijdsomstandigheden").
  2. Vrees voor belangenverstrengeling: Er bestaat een vermoeden dat Esveld Jr. zijn positie als grossier wil gebruiken om zijn eigen familieleden (kleinhandelaren) en het "Saxenburger-concern" te bevoordelen met lagere prijzen en goederen die voor de stad bestemd zijn naar buiten de stad te sluizen.
  3. Economische noodzaak: De marktmeesters geven aan dat er geen behoefte is aan méér grossiers, maar wel aan méér aanvoer. Esveld Jr. zou hier marginaal aan kunnen bijdragen.
  4. Aankomende landelijke regeling: Er wordt verwezen naar een op handen zijnde reorganisatie van de groente- en fruithandel door de "bedrijfsorganisatie". Men wacht liever op deze landelijke erkenning van grossiers en de toewijzing van inkooppunten voordat men een lokale beslissing neemt. Er is echter onenigheid tussen de twee ondertekenaars over hoe snel deze landelijke regelingen effectief zullen zijn. Het document is gedateerd op 15 oktober 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de voedselvoorziening en de distributie daarvan een kritieke kwestie. De bezetter had de economie strak georganiseerd via het zogenaamde "Bedrijfsorganisatie"-model (onderdeel van de gelijkschakeling), waarbij vakgroepen (zoals de genoemde Vakgroep Groothandel in groente en fruit) de handel controleerden.

De "bijzondere tijdsomstandigheden" waarnaar verwezen wordt, duiden op de schaarste, de zwarte handel en de stringente regels die de overheid probeerde op te leggen om de voedselstroom te beheersen. De discussie over wie als grossier erkend werd en wie inkooppunten kreeg, was essentieel voor het overleven van een handelsonderneming in oorlogstijd. De vrees voor het weglekken van producten naar "buiten de stad" wijst op de prioriteit die de gemeente gaf aan de eigen stedelijke voedselvoorziening in een tijd van toenemende tekorten.

Samenvatting

Dit document betreft een intern ambtelijk advies over de toelating van een specifieke handelaar, Esveld Jr., tot de Centrale Markt in Amsterdam. De kernpunten zijn:

  1. Handhavingsproblematiek: Esveld Jr. overtreedt de regels door buiten de Centrale Markt om te leveren aan winkeliers. Hij verdedigt zich door te wijzen op het feit dat hij niet wordt toegelaten tot de markt en dat de regels door de overheid zelf momenteel niet streng worden gehandhaafd ("bijzondere tijdsomstandigheden").
  2. Vrees voor belangenverstrengeling: Er bestaat een vermoeden dat Esveld Jr. zijn positie als grossier wil gebruiken om zijn eigen familieleden (kleinhandelaren) en het "Saxenburger-concern" te bevoordelen met lagere prijzen en goederen die voor de stad bestemd zijn naar buiten de stad te sluizen.
  3. Economische noodzaak: De marktmeesters geven aan dat er geen behoefte is aan méér grossiers, maar wel aan méér aanvoer. Esveld Jr. zou hier marginaal aan kunnen bijdragen.
  4. Aankomende landelijke regeling: Er wordt verwezen naar een op handen zijnde reorganisatie van de groente- en fruithandel door de "bedrijfsorganisatie". Men wacht liever op deze landelijke erkenning van grossiers en de toewijzing van inkooppunten voordat men een lokale beslissing neemt. Er is echter onenigheid tussen de twee ondertekenaars over hoe snel deze landelijke regelingen effectief zullen zijn.

Historische Context

Het document is gedateerd op 15 oktober 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de voedselvoorziening en de distributie daarvan een kritieke kwestie. De bezetter had de economie strak georganiseerd via het zogenaamde "Bedrijfsorganisatie"-model (onderdeel van de gelijkschakeling), waarbij vakgroepen (zoals de genoemde Vakgroep Groothandel in groente en fruit) de handel controleerden.

De "bijzondere tijdsomstandigheden" waarnaar verwezen wordt, duiden op de schaarste, de zwarte handel en de stringente regels die de overheid probeerde op te leggen om de voedselstroom te beheersen. De discussie over wie als grossier erkend werd en wie inkooppunten kreeg, was essentieel voor het overleven van een handelsonderneming in oorlogstijd. De vrees voor het weglekken van producten naar "buiten de stad" wijst op de prioriteit die de gemeente gaf aan de eigen stedelijke voedselvoorziening in een tijd van toenemende tekorten.

Gerelateerde Documenten 6