Archief 745
Inventaris 745-360
Pagina 353
Dossier 2A
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypt verslag / Werkvoorschrift.

Origineel

Getypt verslag / Werkvoorschrift. HET ONDERZOEK VAN LANDBOUWPRODUCTEN AAN HET CENTRAAL INSTITUUT VOOR LANDBOUWKUNDIG ONDERZOEK TE WAGENINGEN.

Het onderzoek van landbouwproducten omvat 2 factorengroepen: kwantiteit en kwaliteit. Terwijl vroeger b.v. de resultaten der proefvelden in hoofdzaak naar de opbrengst (dus kwantitatief) werden beoordeeld, treedt daarnaast in de laatste jaren ook het kwaliteitsonderzoek meer en meer naar voren. Dit kwaliteitsonderzoek omvat zoowel de chemische samenstelling, als de beoordeeling van uiterlijke en innerlijke eigenschappen.

Het chemisch onderzoek vindt plaats in de afdeeling Scheikundig Onderzoek van het C.I.L.O., dat tevens omvat het Bedrijfslaboratorium voor Gewasonderzoek. Het eigenlijke kwaliteitsonderzoek geschiedt in de kookafdeeling van dit Instituut.

Evenals het onderzoek gegroeid is, n.l. door de methoden van de diverse objecten achtereenvolgens uit te werken, evenzoo zal ook thans de bespreking van het onderzoek objectsgewijs geschieden.

I. AARDAPPELEN.
A. Chemisch onderzoek.
1. het onderwatergewicht.
2. het aschgehalte, ev. de afzonderlijke aschbestanddeelen.
3. het zandvrije aschgehalte.
4. ruwvezel of celstof (volgens de Weendermethode).
5. zetmeel (volgens Ewers).
6. oplosbare suikers (in filtraat van Ewers, methode Luff).
7. vocht (bij 105°).
8. ruw eiwit (volgens Kjeldahl met kopersulfaat, kwik en seleen als katalysatoren; vgl. Proefstationsvoorschrift 1931)
9. werkelijk eiwit (volgens Proefstationsvoorschrift 1931, met koperhydroxyd).
10. vitamine C (volgens Emmerie en Van Eekelen).

B. Kwaliteitsonderzoek (zie bijlage I).
1. Beoordeeling in rauwen toestand.
a. Vorm (rond, ovaal, enz.).
b. Schil (gaafheid, kleur, stugheid, enz.).
c. Schurft (mate van schurftigheid).
d. Diepte der oogen.
e. Diepte van den navel.
f. Zieke en blauwe deelen.

2. Beoordeeling in gekookten toestand.
a. Mate van heelblijven.
b. Kleur.
c. Zuiverheid van kleur.
d. Bloemigheid.
e. Vastheid.
f. Meligheid.
g. Fijnheid.
h. Smaak en geur.

II. GRAS: VERSCH GRAS, HOOI EN GEDROOGD GRAS.
A. Chemisch onderzoek.
1. Aschgehalte, ev. de afzonderlijke aschbestanddeelen.
2. Ruwvezel of celstof.
3. Ruw eiwit en werkelijk eiwit,
4. Verteerbaar eiwit.
5. Droge stof.

                                                  <u>6.</u> Dit document is een methodologische beschrijving van hoe landbouwproducten (in dit geval aardappelen en gras) wetenschappelijk geanalyseerd dienen te worden. De tekst markeert een belangrijke verschuiving in de landbouwwetenschap: de overgang van een exclusieve focus op kwantiteit (opbrengst per hectare) naar een combinatie van kwantiteit en kwaliteit (voedingswaarde en consumenteneigenschappen).

Er wordt een strikt onderscheid gemaakt tussen:
1. Chemisch onderzoek: Gericht op meetbare stoffen zoals eiwitten, zetmeel en vitamines. Hierbij worden klassieke methoden genoemd zoals de Kjeldahl-methode (stikstof/eiwit) en de Weender-methode (vezels).
2. Kwaliteitsonderzoek: Gericht op de fysieke en zintuiglijke eigenschappen (uiterlijk, kookeigenschappen, smaak).

De terminologie is technisch en specifiek voor de laboratoriumpraktijk van die tijd (bijv. "onderwatergewicht" voor het bepalen van het zetmeelgehalte in aardappelen). Het Centraal Instituut voor Landbouwkundig Onderzoek (C.I.L.O.) in Wageningen speelde een cruciale rol in de modernisering van de Nederlandse landbouw. Wageningen was (en is) het centrum van agrarische kennis.

Het document hanteert de zogenaamde "Spelling-Marchant" (zichtbaar aan woorden als aschgehalte, onderzoekingen, deelen), die officieel was in Nederland tussen 1934 en 1947. Gecombineerd met de referentie naar voorschriften uit 1931, kunnen we dit document plaatsen in de late jaren '30 of de jaren '40. Dit was een periode waarin de kwaliteitscontrole van voedsel, mede door de schaarste en distributie tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, van groot nationaal belang was. Het C.I.L.O. ging in de jaren '50 op in grotere onderzoeksinstituten, wat dit document een waardevol tijdsbeeld maakt van de vroege institutionalisering van landbouwkundig onderzoek in Nederland.

Samenvatting

Dit document is een methodologische beschrijving van hoe landbouwproducten (in dit geval aardappelen en gras) wetenschappelijk geanalyseerd dienen te worden. De tekst markeert een belangrijke verschuiving in de landbouwwetenschap: de overgang van een exclusieve focus op kwantiteit (opbrengst per hectare) naar een combinatie van kwantiteit en kwaliteit (voedingswaarde en consumenteneigenschappen).

Er wordt een strikt onderscheid gemaakt tussen:
1. Chemisch onderzoek: Gericht op meetbare stoffen zoals eiwitten, zetmeel en vitamines. Hierbij worden klassieke methoden genoemd zoals de Kjeldahl-methode (stikstof/eiwit) en de Weender-methode (vezels).
2. Kwaliteitsonderzoek: Gericht op de fysieke en zintuiglijke eigenschappen (uiterlijk, kookeigenschappen, smaak).

De terminologie is technisch en specifiek voor de laboratoriumpraktijk van die tijd (bijv. "onderwatergewicht" voor het bepalen van het zetmeelgehalte in aardappelen).

Historische Context

Het Centraal Instituut voor Landbouwkundig Onderzoek (C.I.L.O.) in Wageningen speelde een cruciale rol in de modernisering van de Nederlandse landbouw. Wageningen was (en is) het centrum van agrarische kennis.

Het document hanteert de zogenaamde "Spelling-Marchant" (zichtbaar aan woorden als aschgehalte, onderzoekingen, deelen), die officieel was in Nederland tussen 1934 en 1947. Gecombineerd met de referentie naar voorschriften uit 1931, kunnen we dit document plaatsen in de late jaren '30 of de jaren '40. Dit was een periode waarin de kwaliteitscontrole van voedsel, mede door de schaarste en distributie tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, van groot nationaal belang was. Het C.I.L.O. ging in de jaren '50 op in grotere onderzoeksinstituten, wat dit document een waardevol tijdsbeeld maakt van de vroege institutionalisering van landbouwkundig onderzoek in Nederland.

Gerelateerde Documenten 6