Archiefdocument
Origineel
26 maart 1941. KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN VOOR AMSTERDAM
AMSTERDAM (C.), 26 Maart 1941
BEURSGEBOUW, DAMRAK
TEL. LOCAAL : 46191 (5 LIJNEN)
INTERLOCAAL : 49396, 46456, 46220, 45628
UW SCHRIJVEN:
BIJ ANTWOORD VERMELDEN: S. 1347
ONDERWERP: Verkoop op markt en ventvergunning [Handgeschreven in rood potlood: m.p.u. Hop]
De heer Th. van Laar, Binnenhofstraat 35, Amsterdam(N)
heeft vanuit Frankfort am Main tot de Stadtkommandantur
Amsterdam een schrijven gericht, waarbij hij mededeelt in
Duitsland te zijn gaan werken - hoewel hij daartoe als vader
van een gezin van 12 kinderen niet verplicht was - omdat hij
aan werk de voorkeur gaf boven steun.
Hij deelde voorts mede, dat hij als fruitkoopman des-
tijds twee standplaatsen had voor het verkoopen van zijn
artikelen, maar dat een dier plaatsen niet meer productief
was te maken, doordat de bevolking van de betrokken wijk thans
meerendeels in het Tuindorp was gaan wonen. Hoewel hij toen
een andere standplaats had gevraagd op het Mosveld, werd hem
deze geweigerd, omdat daar geen plaats meer zou zijn. Belang-
hebbende merkte op, dat op het Mosveld veel kooplieden stonden,
die daar niet in de buurt woonden, hetgeen met hem wel het
geval was.
In Duitsland heeft hij voldoende overgespaard om
weer als fruitkoopman werkzaam te gaan zijn. Hij verzocht dus
aan de Stadtkommandantur te bevorderen, dat aan hem,
Th. van Laar:
a. een standplaats als marktkoopman op het Mosveld zou worden
toegewezen;
b. voor de andere dagen der week een ventvergunning in zijn
wijk zou worden gegeven.
Aan den Heer Directeur van het Marktwezen [Rechts: De]
Jan van Galenstraat 14
AMSTERDAM-W
[Handgeschreven rechtsonder: 90/18] Het document is een officiële correspondentie van de Amsterdamse Kamer van Koophandel gericht aan de Dienst Marktwezen. Het betreft een bemiddelingspoging voor een Amsterdamse fruitkoopman die op dat moment werkzaam is in Frankfurt am Main, Duitsland.
De kern van de brief is een verzoek om herstel van zijn nering in Amsterdam. Van Laar voert aan dat hij zijn oude standplaatsen verloor door demografische verschuivingen (verhuizing van klanten naar het Tuindorp) en dat hem eerder een plek op het Mosveld was geweigerd. Hij gebruikt twee strategische argumenten die passen bij de tijdgeest van de bezettingsjaren:
1. Arbeidsethos: Hij benadrukt dat hij vrijwillig in Duitsland is gaan werken (gezien zijn grote gezin van 12 kinderen was hij daar niet toe verplicht) omdat hij een afkeer heeft van de "steun" (werkloosheidsuitkering). Dit was een narratief dat zowel de Nederlandse bureaucratie als de Duitse bezetter aansprak.
2. Economische zelfstandigheid: Hij stelt dat hij in Duitsland kapitaal heeft opgebouwd om weer zelfstandig als koopman te kunnen starten. De brief dateert van maart 1941, bijna een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De context van de Arbeidseinsatz is hier cruciaal: hoewel de gedwongen tewerkstelling later veel strenger werd, werden arbeiders in 1940-1941 vaak met zachte drang of door economische noodzaak bewogen om in Duitsland te gaan werken.
Het vermelden van de Stadtkommandantur (de Duitse militaire autoriteit in de stad) als ontvanger van het oorspronkelijke verzoek van Van Laar, laat zien hoe de bezettingsmacht diep ingreep in lokale, civiele zaken zoals marktvergunningen. De Kamer van Koophandel fungeert hier als administratieve tussenschakel tussen de burger en de gemeentelijke instanties (Marktwezen), terwijl ze de Duitse autoriteiten in de argumentatie erkent. Het Mosveld in Amsterdam-Noord was en is nog steeds een centrale marktlocatie; de discussie over lokale versus niet-lokale kooplieden is een terugkerend thema in de geschiedenis van de ambulante handel.