Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam.
Origineel
Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam. 25 april 1942. [Linksboven, handgeschreven:]
39/65/50
28/5
[Gedrukt/Getypt:]
Afschrift
No. 227 [handgeschreven nummer over 'No.']
L. M. 194
[Midden boven: Wapen van Amsterdam]
[Rechtsboven, handgeschreven initialen en paraaf:]
MW
Amuykes [?]
[Hoofdtekst:]
DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,
Heeft goedgevonden de aan Alexander Cohen, geboren 10 November 1883
wonende 2e Jan van de Heijdenstraat 43, bij beschikking dd. 30 December
1939 no. 764 L.M verleende vergunning tot het innemen van een vaste stand-
plaats, ten verkoop van bloemen, op den openbaren weg, den rijweg van de
2e Jan van de Heijdenstraat t/o den zijgevel van perceel Van Woustraat ~~174~~ ^74,
bij deze, gerekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te trekken.
GM
Amsterdam, 25 April 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte
De Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
[Linksonder:]
K 350 Dit document is een officieel besluit van het Amsterdamse gemeentebestuur tijdens de Duitse bezetting. Het betreft de administratieve afhandeling van het intrekken van een handelsvergunning.
Opvallende kenmerken:
* Retroactieve kracht: De intrekking wordt op 25 april 1942 vastgelegd, maar gaat met terugwerkende kracht in op 13 januari 1942.
* Correcties: Er is een handmatige correctie aangebracht in het huisnummer van de locatie (van 174 naar 74).
* Ondertekening: Het document is een kopie (afschrift), waarbij de namen van burgemeester Edward Voûte en gemeentesecretaris J.F. Franken zijn gestempeld of getypt met de toevoeging "(get.)", wat staat voor 'getekend'.
* Bureaucratie: De aanwezigheid van diverse dossiernummers en parafen wijst op de strikte administratieve verwerking van dergelijke besluiten binnen het ambtelijk apparaat. De datum van de intrekking, 13 januari 1942, is historisch zeer significant. Dit was de dag waarop de Duitse bezetter vergaande economische maatregelen tegen Joodse burgers effectueerde. Joden werd het verboden om nog langer ambulante handel te drijven of standplaatsen in te nemen op de openbare weg.
Alexander Cohen was een Joodse Amsterdammer. De intrekking van zijn vergunning voor de bloemenkraam was geen incidentele ambtelijke beslissing, maar een direct gevolg van de systematische uitsluiting en onteigening van Joden uit het economische en sociale leven. Burgemeester Voûte, die door de bezetter in zijn functie was gelaten, voerde deze verordeningen (zoals Verordening 198/1941) trouw uit. Veel Joodse straathandelaren en marktkooplieden verloren in deze specifieke week hun bron van inkomsten. De administratieve kilheid van het document staat in schril contrast met de catastrofale impact die dergelijke besluiten hadden op de levens van de betrokkenen.