Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam.
Origineel
Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam. [Linksboven, handgeschreven/gestempeld:]
№ 39/65/93 M. 2242 20/5
Afschrift
No. 223 L. M. 194 2 [de '2' is handgeschreven over het gedrukte '194']
[Midden boven, wapen van Amsterdam]
[Rechtsboven, handgeschreven paraaf:]
H Muller [?]
[Klein rood rond stempel, onleesbaar]
[Hoofdtekst:]
DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,
Heeft goedgevonden de aan Mietje van Emrik, geboren 30 Juli
1901, wonende Iepenweg 23, bij beschikking dd. 9 Mei 1941, no. 1007
L.M. verleende vergunning tot het innemen van een vaste standplaats,
ten verkoop van haring, zuurwaren, gerookte-, gestoomde-, gedroogde-,
gezouten-, en geconserveerde visch, op den openbaren weg, tegen den
noord-westelijken vleugel van het viaduct tusschen de Maritzstraat en
Beukenweg, bij deze, gerekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te
trekken.
GM
[Onderaan:]
Amsterdam, 12 MEI 1942 1942. [Datumstempel over gedrukt jaartal]
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte [Paars stempel]
De Gemeentesecretaris
(get.) J. F. FRANKEN [Paars stempel]
[Linksonder:]
K 350 Dit document is een administratieve vastlegging van de intrekking van een marktvergunning. Mietje van Emrik had sinds mei 1941 toestemming om vis en zuurwaren te verkopen bij het spoorviaduct in de Oosterparkbuurt/Transvaalbuurt.
Opvallende details:
* Effectieve datum: Hoewel het besluit is gedateerd op 12 mei 1942, gaat de intrekking in met terugwerkende kracht vanaf 13 januari 1942.
* Ondertekening: Het document is ondertekend (gestempeld) door Edward Voûte, de door de Duitse bezetter aangestelde burgemeester, en gemeentesecretaris J.F. Franken.
* Producten: De vergunning was zeer specifiek voor "haring, zuurwaren, gerookte-, gestoomde-, gedroogde-, gezouten-, en geconserveerde visch". Dit document is een direct gevolg van de anti-Joodse maatregelen tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Mietje van Emrik-de Jong was een Joodse vrouw.
Vanaf 1941 voerde de bezetter stap voor stap verordeningen in om Joden uit het economische leven te bannen. Verordening 198/1941 richtte zich specifiek op het uitschakelen van Joodse invloed in het bedrijfsleven. Voor marktkooplieden en straathandelaren betekende dit dat hun vergunningen massaal werden ingetrokken. De intrekking in januari 1942 valt samen met de periode waarin Joodse Amsterdammers steeds verder werden geïsoleerd en hun middelen van bestaan werden ontnomen.
De locatie van de standplaats (nabij de Maritzstraat) lag in een buurt met veel Joodse inwoners. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat Mietje van Emrik en haar gezin later zijn gedeporteerd; zij werd in 1943 in Sobibor vermoord. Dit schijnbaar droge administratieve document vormt daarmee een schakel in het proces van ontrechting dat voorafging aan de deportaties.