Handgeschreven verzoekbrief.
Origineel
Handgeschreven verzoekbrief. 7 mei 1942 (ingekomen stempel: 11 mei 1942). Pieter Hendrik de Ruiter (geboren 1 januari 1885). [Links boven:] Nº 53 / 56/1
[Midden boven, stempel:] M. 1942 11/5
[Rechts boven:] A’dam 7/5 1942
[Potloodnotitie rechts boven:] mr. H Bierman [?]
Weledele Heer
Ondergeteekende Geeft met gepaste eerbiedt te kennen
dat hij vijftien jaar aan den Ouden groenten en
aardappellen gewerkt en vijf jaar vasten knecht geweest
is bij de Gebroeders Benjamin. Tans plaats ik mij
op de markt als kruier en loswerkman maar daar
hij zich niet voldoende in zijn onderhoud kan voorzien.
Daar hij nu 56 jaar is en flink genoeg en daar hij ook
nog graag wil werken, en het ook nog wil. Hij bezit
ook goeden getuigschriften. Hij werd bij Benjamin
ontslagen daar een Zwager van de Baas zonder werk
was gekomen, En de Ruiter ruimen moest voor de Baas
zijn zwager. Redenen waarom hij UEd heer beleeft
verzocht of u hem een kaart voor de markt kan
verstrekken daar hij mogelijk weer op de markt
zijn brood kan verdienen. Daar hij ook goed bekend
is bij de marktlui en schachters en het vollen
vertrouwen genoot en ook een oppassent man is
Hoopende: dat UEd goedgunstig over hem moogt denken
daar er van deze persoon niets te zeggen is en ook
oppast voor zijn onderhoud.
Teekent hij hoogachtend Pieter Hendrik de Ruiter
geboren 1 Jannuari 1885 te Amsterdam.
Woonplaats Lauriergr 115 P/A J de Kok.
[Rechts onder:] 53 In deze brief verzoekt Pieter Hendrik de Ruiter om een marktvergunning ("kaart voor de markt"). Hij probeert de ontvanger te overtuigen van zijn goede arbeidsethos en noodzaak tot werk. De Ruiter is 56 jaar oud en heeft twintig jaar ervaring in de groente- en aardappelhandel, waarvan de laatste vijf jaar als vaste knecht bij de firma Gebroeders Benjamin.
Hij legt uit dat hij zijn baan verloor door vriendjespolitiek (nepotisme): hij moest plaatsmaken voor de zwager van zijn baas. Momenteel probeert hij als los werkman en kruier op de markt te overleven, maar dit verdient onvoldoende. Hij benadrukt dat hij fysiek nog fit is, over goede getuigschriften beschikt en een goede reputatie heeft onder de "marktlui en schachters" (handelaren). De toon van de brief is uiterst nederig en formeel, wat gebruikelijk was voor dergelijke rekesten in die tijd. Het document dateert uit mei 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De context van de werkgever, "Gebroeders Benjamin", is hierbij historisch relevant. Veel Joodse bedrijven in Amsterdam werden in deze periode door de bezetter onder curatele gesteld ("verariërd") of geliquideerd. Hoewel De Ruiter aangeeft ontslagen te zijn vanwege de zwager van de baas, vonden er bij Joodse firma's in 1941 en 1942 gedwongen personeelswisselingen plaats.
De brief biedt een inkijkje in de precaire arbeidsmarkt voor oudere werklieden tijdens de oorlogsjaren en de strikte regulering van de Amsterdamse markthandel via vergunningen. De Ruiter woonde op dat moment in de Jordaan (Lauriergracht), een volksbuurt die zwaar getroffen werd door de economische malaise van de oorlog. J. de Kok Marktwezen