Archiefdocument
Origineel
28 juli 1942. Mevr. M. Couzijn-Ortje, Tilanusstraat 27 III, Amsterdam. De Heer Directeur van het Marktwezen, Amsterdam. Nº 103/74/1 M. 1942
M. Couzijn - Ortje
Amsterdam, 28 Juli 1942
Tilanusstr. 27 III
Den Heer Directeur van het Marktwezen,
Amsterdam.
Mijnheer,
Door dezen deel ik U mede, dat mijn man, Abraham Couzijn, houder van een vaste standplaats op de markt Gaaspstraat, thans in een Nederlandsch werkkamp te werk is gesteld.
In verband hiermede zoude ik nu zelf de plaats op genoemde markt willen bezetten en daarbij mijn zoon Marcus Wessel Couzijn, geboren 24 Juni 1926, als assistent bij mij willen nemen.
Gaarne verneem ik spoedig van U, of U hiermede accoord kunt gaan.
Hoogachtend,
M. Couzijn - Ortje.
[Ambtelijke aantekeningen linksonder:]
Assist.
verleenen
acc.
[paraaf]
103/74/2 De brief is een direct gevolg van de anti-Joodse maatregelen tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Mevrouw Couzijn-Ortje verzoekt de gemeente Amsterdam om de marktvergunning van haar man te mogen gebruiken. De reden die zij opgeeft, is dat haar man Abraham Couzijn "te werk is gesteld" in een "Nederlandsch werkkamp". Dit was de eufemistische term voor de Joodse werkkampen die in 1942 in Nederland werden geactiveerd als tussenstation naar de vernietigingskampen.
De brief toont de wanhopige poging van een familie om hun nering en inkomsten te behouden onder extreme omstandigheden. De ambtelijke aantekening onderaan ("Assist. verleenen acc.") wijst erop dat de administratie van het Marktwezen het verzoek om haar zoon als assistent aan te stellen, heeft goedgekeurd. De zakelijke, beleefde toon van de correspondentie staat in schril contrast met de gewelddadige ontworteling van het gezin die op dat moment plaatsvond. Dit document is een aangrijpend administratief spoor van de Holocaust in Amsterdam. Abraham Couzijn (geboren in 1899) was een van de vele Joodse Amsterdammers die in de zomer van 1942 werden opgeroepen voor de werkkampen. Uit historische bronnen (Joods Monument) blijkt dat Abraham Couzijn uiteindelijk op 31 maart 1944 in Midden-Europa is omgekomen.
De tragiek van dit specifieke document wordt nog groter wanneer men naar de genoemde zoon kijkt: Marcus Wessel Couzijn, voor wie in deze brief nog een assistentenrol op de markt werd gevraagd, werd samen met zijn moeder kort na deze brief gedeporteerd. Beiden zijn op 30 september 1942 in Auschwitz vermoord, nauwelijks twee maanden nadat deze brief werd geschreven. De Gaaspstraatmarkt lag in de Rivierenbuurt, een wijk die in die jaren zwaar werd getroffen door de deportaties.