Gedrukte gemeentelijke verordening.
Origineel
Gedrukte gemeentelijke verordening. Arbeidsovereenkomst
Schoonmaaksters.
121
VERORDENING, HOUDENDE REGELING DER AANSPRAKEN VAN SCHOONMAAKSTERS OP PENSIOENEN OF UITKEERINGEN IN VERBAND MET DIENSTTIJD BIJ DE GEMEENTE VÓÓR 1 JUNI 1934.
(Besluit van den Gemeenteraad van 3 Juli 1935, No. 380.)
ART. 1
Onder ,,schoonmaakster'' wordt in deze Verordening verstaan :
1° de gewezen schoonmaakster in dienst der Gemeente, met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werd gesloten en die vóór 1 Juni 1934 werd ontslagen onder toekenning van een uitkeering, als bedoeld in art. 3, 1e lid, der met ingang van 1 Juni 1934 ingetrokken Verordening van 9 Juli 1926, No. 527, houdende regeling der Arbeidsvoorwaarden en Pensioenaanspraken van schoonmaaksters in dienst der Gemeente, met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten ;
2° de schoonmaakster in dienst der Gemeente, met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werd gesloten en die op 31 Mei 1934 zeven of meer jaren in dienst der Gemeent was ;
3° de schoonmaakster in dienst der Gemeente, met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werd gesloten en die op 31 Mei 1934 minder dan zeven jaar in dienst der Gemeente was.
ART. 2
De aanspraken van de in art. 1, onder 1°, dezer Verordening bedoelde gewezen schoonmaakster op een uitkeering, als bedoeld in art. 3, 1e lid, der in art. 1 dezer Verordening genoemde Verordening van 9 Juli 1926, blijven gehandhaafd, alsof laatstgenoemde Verordening niet zou zijn ingetrokken.
ART. 3
De in art. 1, onder 2°, dezer Verordening bedoelde schoonmaakster heeft bij ontslag uit den gemeentedienst aanspraak op eenzelfde uitkeering, als waarop zij aanspraak zou hebben gehad, indien de vorenbedoelde Verordening van 9 Juli 1926 niet zou zijn ingetrokken, met dien verstande, dat de tijd, in gemeentedienst doorgebracht na 31 Mei 1934, voor de berekening van de uitkeering niet in aanmerking komt.
ART. 4
(1) De weezen van de in art. 1, onder 2°, dezer Verordening bedoelde schoonmaakster, die, nog in gemeentedienst zijnde, komt te overlijden, hebben aanspraak op eenzelfde uitkeering, als waarop zij krachtens art. 3 der vorenbedoelde Verordening van 9 Juli 1926 aanspraak zouden hebben gehad, indien die Verordening niet zou zijn ingetrokken. * Juridische strekking: De verordening fungeert als een 'overgangsregeling'. Een gunstigere verordening uit 1926 was per 1 juni 1934 ingetrokken. Dit document stelt vast dat schoonmaaksters die al met pensioen waren of al een aanzienlijk aantal dienstjaren (7+) hadden opgebouwd op de datum van intrekking, hun rechten (deels) behouden.
* Categorisering: De tekst deelt het personeel op in drie groepen: reeds ontslagenen (1°), zittend personeel met meer dan 7 jaar dienst (2°) en zittend personeel met minder dan 7 jaar dienst (3°).
* Beperking: Artikel 3 bevat een belangrijke beperking voor de actieve schoonmaaksters: hoewel ze recht houden op de oude regeling, telt de diensttijd na 31 mei 1934 niet meer mee voor de hoogte van die specifieke uitkering.
* Sociale zorg: Artikel 4 toont aan dat de regeling ook voorzag in een uitkering voor wezen indien de werkneemster tijdens haar dienstverband kwam te overlijden, wat duidt op een zekere mate van sociale zekerheid voor deze beroepsgroep. * Tijdsgewricht: Midden jaren '30, de periode van de Grote Depressie. Overheden moesten vaak bezuinigen en reorganiseren, wat leidde tot het intrekken van oudere, kostbaardere arbeidsvoorwaarden (zoals de genoemde regeling uit 1926).
* Arbeidspositie: Schoonmaaksters werkten op basis van een arbeidsovereenkomst naar "burgerlijk recht" (privaatrechtelijk), wat hen een andere rechtspositie gaf dan ambtenaren in publiekrechtelijke dienst.
* Gender: Het document is specifiek gericht op een vrouwelijke beroepsgroep, wat typerend is voor de strikt gesegregeerde arbeidsmarkt van die tijd.
* Lokaal bestuur: Het document is een besluit van een gemeenteraad (de specifieke gemeente wordt niet genoemd in de tekst, maar de documenten bevinden zich vaak in stadsarchieven van grotere steden zoals Amsterdam of Rotterdam). De archivistische context suggereert dat dit deel uitmaakte van de officiële publicatiebladen van de gemeente.