Handgeschreven brief (zakelijke correspondentie).
Origineel
Handgeschreven brief (zakelijke correspondentie). Niet expliciet bovenaan vermeld, maar refereert aan een vordering per 1 juli 1941. Er is een potloodnotitie onderaan die lijkt te duiden op een datum van afhandeling (27/3/42?). D. Driessen. Administratie Gemeente-Energiebedrijf (GEB), Tesselschadestraat, Amsterdam. [In rood potlood bovenin:] 10/29/1
Administratie
Gemeente-Energiebedrijf.
Tesselschadestraat.
Alhier
Onder terugzending van Uw nota
no 426 ten bedrage van f 79.60 deel ik
U mede, dat [doorgehaald: het verbruik] het stroomverbruik over meter
no 95 000 de verlichting van een paarden-
stal betreft welke [doorgehaald: door de] sinds 1 Juli 1941
door de Duitsche Weermacht is gevorderd.
Naar ik vernomen heb, wordt
het stroomverbruik van gevorderde percelen
rechtstreeks [doorgehaald: het onderand] door de Duitsche Weermacht
met U verrekend.
Beliefd verzoek ik U
mijn rekening voor bovengenoemd bedrag
[doorgehaald: te doen vervallen] [doorgehaald: mijne rekening voor,] van 1 Juli 1941 af
te herzien en het reeds op de [doorgehaald: berekende] rekening
vorkomende stroomverbruik groot 190. kWh
een creditnota te doen toekomen.
D. Driessen.
[In potlood linksonder:] 27 / 3 / 2 [met verticale streep en haakje]
’T staande op het terrein van de Centrale
markt, In deze brief protesteert de heer D. Driessen tegen een rekening van het Gemeente-Energiebedrijf (GEB) ter waarde van 79,60 gulden. De kern van zijn bezwaar is dat de meter (no. 95 000) betrekking heeft op een paardenstal op het terrein van de Centrale Markt in Amsterdam, die sinds 1 juli 1941 door de Duitse bezetter is gevorderd.
Driessen stelt dat hij heeft vernomen dat het energieverbruik van door de Duitsers gevorderde panden direct tussen de Wehrmacht en het nutsbedrijf wordt afgehandeld. Hij verzoekt daarom om een herziening van zijn rekening vanaf de datum van de vordering en vraagt om een creditnota voor de reeds in rekening gebrachte 190 kWh.
Het document is een sprekend voorbeeld van de administratieve rompslomp en de juridische/financiële complicaties die ontstonden als gevolg van vorderingen door de bezettingsmacht. De vele doorhalingen in de tekst wijzen erop dat de schrijver zorgvuldig zocht naar de juiste formulering voor dit gevoelige verzoek. * De Bezetting: Ten tijde van deze brief (waarschijnlijk eind 1941 of begin 1942) was Nederland bezet door nazi-Duitsland. De "Duitsche Weermacht" maakte op grote schaal gebruik van haar macht om gebouwen, stallen en voorraden te vorderen voor eigen militair gebruik.
* Centrale Markt: De paardenstal bevond zich op het terrein van de Centrale Markt in Amsterdam-West (het huidige Food Center Amsterdam aan de Jan van Galenstraat). Dit was een logistiek knooppunt waar veel transport met paard en wagen plaatsvond, wat de aanwezigheid van stallen verklaart.
* GEB: Het Gemeente-Energiebedrijf was gevestigd aan de Tesselschadestraat in Amsterdam. Tijdens de bezetting moesten nutsbedrijven enerzijds de dienstverlening aan de burgerbevolking voortzetten, terwijl ze anderzijds direct te maken hadden met de eisen en vorderingen van de bezetter.
* Financiële afwikkeling: Hoewel de Wehrmacht goederen en diensten vorderde, was er vaak een bureauclatisch proces voor de betaling daarvan (vaak gefinancierd uit door Nederland opgebrachte bezettingskosten). Burgers zoals de heer Driessen probeerden logischerwijs te voorkomen dat zij zelf moesten betalen voor faciliteiten waar zij door de vordering geen gebruik meer van konden maken.