Handgeschreven conceptbrief of ambtelijke notitie betreffende een marktvergunning.
Origineel
Handgeschreven conceptbrief of ambtelijke notitie betreffende een marktvergunning. Vermeldt data van 6 december 1938 en 6 maart 1940. 85/12/2
afw. c. m.
Hiermede heb ik de eer U. te berichten, dat de kramenzetter W.L. Keirenswaard jr., Amstelveenscheweg 194 III, het verzoek heeft gedaan, behalve op de markten, ~~Amstelveld~~, ~~en Amstelveld~~, tevens kramen te mogen plaatsen op de Boom- en Bloemenmarkt.
Deserzijds bestaat hiertegen geen bezwaar.
Ik heb de eer U beleefd te verzoeken, wel te willen bevorderen, dat ~~den aanvrager~~ aan Keirenswaard ~~voornoemd~~ ~~op bovenbedoelden tijd wordt aangemeld~~ een vergunning wordt verleend tot het opzetten of hebben van kramen op de markten Amstelveld, Boom- en Bloemenmarkt, Muntplein.
d.d.
Tevens op 6 Maart 1940 onder no. 201 L.M. 1940 verleend - 6 Dec: 1938 onder no. 811 L.m '38 vergunning werd verleend voor het opzetten of hebben van kramen, resp. voor de markten Amstelveld en Muntplein, * Onderwerp: Het document betreft een verzoek van kramenzetter W.L. Keirenswaard jr. om zijn vergunning uit te breiden naar de Boom- en Bloemenmarkt in Amsterdam.
* Besluitvorming: De behandelend ambtenaar geeft aan dat er "deserzijds" (van deze kant) geen bezwaar is tegen dit verzoek en adviseert de vergunning te verlenen.
* Administratieve context: De doorhalingen tonen aan dat dit een kladversie is waarbij de formulering gaandeweg is aangepast. De onderste regels dienen als referentie naar eerder verleende vergunningen in 1938 en 1940 voor andere locaties (Amstelveld en Muntplein). Dit document biedt een inkijkje in de Amsterdamse marktregulering aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. De genoemde locaties zijn iconische Amsterdamse marktpleinen: het Amstelveld, het Muntplein en de Boom- en Bloemenmarkt (de huidige bloemenmarkt op het Singel).
De formele toon ("heb ik de eer U beleefd te verzoeken") is kenmerkend voor de ambtelijke correspondentie van die tijd. De vermelding van de datum 6 maart 1940 plaatst dit document in de maanden vlak voor de Duitse inval in Nederland. Voor historisch onderzoek is het document relevant vanwege de persoonsgegevens van de handelaar en de specifieke toewijzing van standplaatsen in de stad.