Archief 745
Inventaris 745-430
Pagina 250
Dossier 29
Jaar 1944
Stadsarchief

Archiefdocument

April 1941.

Origineel

April 1941. MARKTWEZEN
AMSTERDAM.

AMSTERDAM, April 1941.

Aan den houder van een vent- of opkoopersvergunning wordt medegedeeld, dat bedoelde vergunning opnieuw verleend moet worden voor het tijdvak 1 Juni 1941 of later tot en met 31 Mei 1942, indien de betrokkene in het laatstgenoemde tijdvak het beroep van venter of opkooper wenscht voort te zetten of weder op te nemen.

De venter of opkooper, die voor opnieuw verleening van zijn vergunning in aanmerking wil komen, moet zich of iemand namens hem in de maand Mei 1941 met zijn vergunning vervoegen op het Hoofdkantoor van het Marktwezen, Jan van Galenstraat 14, Amsterdam-West en wel op een der navolgende dagen:

Datum Criterium
op 2 Mei indien hij in het bezit is van een vergunning dragende de serie-nummers 1, 2, 3, 4 of 5;
op 5, 6, 7, 8 of 9 Mei indien hij in het bezit is van een vergunning, dragende de serie-nummers 6, 7, 8, 9 of 10 of de serie-letters EW, EM, TM of EZ;
op 12, 13, 14, 15 of 16 Mei indien hij in het bezit is van een vergunning, dragende de serie-nummers 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 of 18;
op 19, 20, 21 of 23 Mei indien hij in het bezit is van een vergunning, dragende de serie-nummers 19, 20, 21, 22 of 23;
op 26, 27, 28, 29 of 30 Mei indien hij in het bezit is van een vergunning dragende de serie-nummers 24, 25, 26, 27 of 28.

Des Zaterdags zijn de kantoren voor het betalen van ventgelden gesloten.
Venters, die op andere dagen komen dan waarop zij zijn opgeroepen, kunnen wel geholpen worden, doch loopen kans, langer aan de loketten te moeten wachten dan anderen.
In elk geval moet ieder, die na 1 Juni 1941 ventende wordt aangetroffen in het bezit zijn van een vent- of opkoopersvergunning geldig tot 31 Mei 1942.
Van het opnieuw verleenen der vergunning zal terstond in het oude vergunningsboekje aanteekening gemaakt worden tegen betaling van het ventgeld à f 4.— per jaar, verhoogd met f 1.— legeskosten.
Hiertoe zal dus slechts worden overgegaan, indien de betrokken venter f 5.— betaalt in geld of in reeds van te voren gekochte waardebons. Venters, voor wie het ventgeld door wekelijksche inhoudingen door het Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijke Steun geheel of ten deele is gespaard, moeten, om het gespaarde bedrag in mindering van het te betalen ventgeld te doen strekken, in het bezit zijn van een door het bovengenoemde bureau te hunnen name gestelden bon.
Indien de venter tevens nog achterstallige standplaatsgelden verschuldigd is, zal de ventvergunning niet opnieuw worden verleend, alvorens ook deze schuld is aangezuiverd. Men zorge er dus voor, dat, wanneer men dergelijke schuld heeft, deze vooraf aan het Hoofdkantoor van het Marktwezen wordt betaald.
Ten einde het voor den venter gemakkelijk te maken om f 5.— te kunnen betalen, is van 1 Mei 1941 af de gelegenheid opengesteld bij het Hoofdkantoor van het Marktwezen en op het marktkantoor Waterlooplein een zoogenaamde „waardebon” te koopen. Deze bons hebben een waarde van f 2,50 en dienen uitsluitend om er ventgeld en legeskosten der vent- of opkoopersvergunning mede te betalen. Koopers van een waardebon behoeven zich in de maand Mei 1941 voor het opnieuw verleenen van hun vergunning niet op den voor hen aangewezen dag op het Hoofdkantoor te vervoegen, doch zij moeten in elk geval zorg dragen, dat zij uiterlijk op 31 Mei a.s. in het bezit zijn van een geldige vergunning, waartoe zij natuurlijk tijdig aan het bedoelde Hoofdkantoor moeten zijn geweest.
Ik breng speciaal onder de aandacht van de houders van een opkoopersvergunning, dat voor het opnieuw verleenen van de opkoopersvergunning wordt geëischt, dat men in het bezit is van een Rijksvergunning voor het ophalen van oude materialen en afvalstoffen, uitgereikt door het Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen. Opkoopers, die om welke reden ook een dergelijke vergunning niet bezitten, zullen de hun door de Gemeente Amsterdam uitgereikte opkoopersvergunning niet kunnen verlengen, doch kunnen die ten stadhuize ingeruild krijgen voor een ventvergunning geldig voor eenig ander artikel, bijvoorbeeld bloemen en planten, consumptieijs, enz.

De Directeur van het Marktwezen. Dit document is een administratieve verordening van de Dienst Marktwezen Amsterdam, gericht op de regulering van de straathandel. De kernpunten zijn:

  1. Strikte Planning: Om de toestroom van duizenden kleine handelaren te reguleren, hanteert het Marktwezen een strak schema op basis van vergunningsnummers. Dit duidt op een grote mate van bureaucratische controle.
  2. Financiële Drempels: De kosten voor een jaarvergunning bedragen 5 gulden (vergelijkbaar met ongeveer 40-50 euro aan koopkracht vandaag de dag). Opvallend is de regeling voor minvermogenden via het "Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijke Steun", waarbij ventgeld via inhoudingen kon worden gespaard.
  3. Schuldsanering: Het verlenen van een nieuwe vergunning wordt expliciet gekoppeld aan het afbetalen van eventuele openstaande schulden aan de gemeente (achterstallige standplaatsgelden).
  4. Specialisatie voor Opkopers: Er is een duidelijke scheidslijn tussen algemene venters en "opkoopers" (handelaren in oude materialen/schroot). Voor deze laatsten is een aanvullende "Rijksvergunning" vereist. Het niet bezitten hiervan dwingt de handelaar over te stappen op andere waren zoals bloemen of ijs. Het document dateert van april 1941, bijna een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Deze context is cruciaal voor het begrip van de tekst:

  5. Economie van de Schaarste: De extra nadruk op de vergunning voor "Oude Materialen en Afvalstoffen" is direct gerelateerd aan de oorlogseconomie. Metalen, textiel en andere grondstoffen waren cruciaal voor de (Duitse) oorlogsindustrie. De overheid probeerde via het Rijksbureau voor Oude Materialen een monopolie op de inzameling te krijgen.

  6. Sociale Controle: De bezetter en de meewerkende gemeentelijke instanties gebruikten vergunningsstelsels om de bevolking, en specifiek de economisch actieve onderlaag, nauwlettend in de gaten te houden.
  7. De Joodse Gemeenschap: Hoewel niet expliciet vermeld, trof dit besluit de Joodse bevolking van Amsterdam onevenredig hard. De vermelding van het "marktkantoor Waterlooplein" is veelzeggend; het Waterlooplein was het hart van de Joodse buurt en de joodse markt. In de loop van 1941 werden de maatregelen om Joden uit het economische leven te weren (zoals de straathandel) steeds restrictiever. In juni 1941 (de maand dat deze nieuwe vergunningen in moesten gaan) werd de handel door Joden op markten al grotendeels verboden of beperkt tot 'Joodse markten'.
  8. Bureaucratie: Het document toont aan dat de gemeentelijke bureaucratie onder bezettingstijd grotendeels 'business as usual' voortzette, waarbij bestaande regels werden aangescherpt om te voldoen aan de nieuwe (oorlogs)eisen.

Samenvatting

Dit document is een administratieve verordening van de Dienst Marktwezen Amsterdam, gericht op de regulering van de straathandel. De kernpunten zijn:

  1. Strikte Planning: Om de toestroom van duizenden kleine handelaren te reguleren, hanteert het Marktwezen een strak schema op basis van vergunningsnummers. Dit duidt op een grote mate van bureaucratische controle.
  2. Financiële Drempels: De kosten voor een jaarvergunning bedragen 5 gulden (vergelijkbaar met ongeveer 40-50 euro aan koopkracht vandaag de dag). Opvallend is de regeling voor minvermogenden via het "Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijke Steun", waarbij ventgeld via inhoudingen kon worden gespaard.
  3. Schuldsanering: Het verlenen van een nieuwe vergunning wordt expliciet gekoppeld aan het afbetalen van eventuele openstaande schulden aan de gemeente (achterstallige standplaatsgelden).
  4. Specialisatie voor Opkopers: Er is een duidelijke scheidslijn tussen algemene venters en "opkoopers" (handelaren in oude materialen/schroot). Voor deze laatsten is een aanvullende "Rijksvergunning" vereist. Het niet bezitten hiervan dwingt de handelaar over te stappen op andere waren zoals bloemen of ijs.

Historische Context

Het document dateert van april 1941, bijna een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Deze context is cruciaal voor het begrip van de tekst:

  • Economie van de Schaarste: De extra nadruk op de vergunning voor "Oude Materialen en Afvalstoffen" is direct gerelateerd aan de oorlogseconomie. Metalen, textiel en andere grondstoffen waren cruciaal voor de (Duitse) oorlogsindustrie. De overheid probeerde via het Rijksbureau voor Oude Materialen een monopolie op de inzameling te krijgen.
  • Sociale Controle: De bezetter en de meewerkende gemeentelijke instanties gebruikten vergunningsstelsels om de bevolking, en specifiek de economisch actieve onderlaag, nauwlettend in de gaten te houden.
  • De Joodse Gemeenschap: Hoewel niet expliciet vermeld, trof dit besluit de Joodse bevolking van Amsterdam onevenredig hard. De vermelding van het "marktkantoor Waterlooplein" is veelzeggend; het Waterlooplein was het hart van de Joodse buurt en de joodse markt. In de loop van 1941 werden de maatregelen om Joden uit het economische leven te weren (zoals de straathandel) steeds restrictiever. In juni 1941 (de maand dat deze nieuwe vergunningen in moesten gaan) werd de handel door Joden op markten al grotendeels verboden of beperkt tot 'Joodse markten'.
  • Bureaucratie: Het document toont aan dat de gemeentelijke bureaucratie onder bezettingstijd grotendeels 'business as usual' voortzette, waarbij bestaande regels werden aangescherpt om te voldoen aan de nieuwe (oorlogs)eisen.

Locaties

Amsterdam (Hoofdkantoor Marktwezen aan de Jan van Galenstraat 14 en marktkantoor Waterlooplein).

Gerelateerde Documenten 5