Archief 745
Inventaris 745-431
Pagina 128
Dossier 17
Jaar 1944
Stadsarchief

Getypt ambtelijk schrijven (doorslag/kopie) met handgeschreven kanttekeningen.

11 november 1943. Van: De Directeur (vermoedelijk van de Gemeentelijke Vismarkt of een verwante economische dienst in Amsterdam). Aan: De Heer Directeur der Nederlandsche Visscherij Centrale, 2e Adelheidstraat 300, 's-Gravenhage.

Origineel

Getypt ambtelijk schrijven (doorslag/kopie) met handgeschreven kanttekeningen. 11 november 1943. De Directeur (vermoedelijk van de Gemeentelijke Vismarkt of een verwante economische dienst in Amsterdam). De Heer Directeur der Nederlandsche Visscherij Centrale, 2e Adelheidstraat 300, 's-Gravenhage. [Handgeschreven aantekeningen bovenaan:]
Verzonden 11/11
Imp

[Rechtsboven:]
VD/SV

[Linksboven:]
46b/16/22 M.

[Rechts onder de referenties:]
11 November 1943.

den Heer Directeur der
Nederlandsche Visscherij Centrale,
2e Adelheidstraat 300,
's-G r a v e n h a g e
===========================

Naar aanleiding van Uw brief d.d. 27 October
jl. no. 25744/V/P bericht ik U, dat het verzoek van den
heer A.J. van Rijsbergen (Imex) reeds eenige malen te
Amsterdam is behandeld.

De Imex beheert te dezer stede 7 Joodsche visch-
winkels, welke toewijzingen in opdracht der Duitsche
Autoriteiten in 2 zaken worden verkocht namelijk op het
Amstelveld (zaak van Drukker) en in de Utrechtschestraat
(zaak van Savelberg). Savelberg is geen jood en het onder-
havige verzoek heeft dan ook verder niets uitstaande met
de opdracht tot het concentreeren van 7 Joodsche klein-
handelszaken. De zaak van Savelberg was reeds geruimen
tijd vóór de concentratie gesloten en Savelberg ontving
sedert maanden geen toewijzing meer op den afslag.

Indien derhalve de weg, welke de Imex wil opgaan,
ook door de Gemeente zou worden gevolgd, zou dit theoretisch
kunnen gaan beteekenen, dat één onderneming alle visch-
zaken te Amsterdam onder haar beheer zou kunnen brengen.

Het Gemeentebestuur heeft zich met dit stand-
punt vereenigd en eenige maanden geleden de "Imex" doen
berichten, dat het vestigen van een vischconcern te dezer
stede ongewenscht wordt geacht en dat de onderneming zich
dient te beperken tot de 7 Joodsche winkels.

De Directeur, Dit document is een ambtelijke correspondentie die licht werpt op de economische aspecten van de Jodenvervolging ("Arisering") in Amsterdam tijdens de bezetting.

  • Arisering en Beheer: De firma Imex, onder leiding van A.J. van Rijsbergen, treedt hier op als beheerder van "7 Joodsche vischwinkels". Dit betekent dat de oorspronkelijke Joodse eigenaren hun bezit zijn kwijtgeraakt en Imex door de Duitse autoriteiten is aangesteld om deze zaken (of de voorraden/toewijzingen daarvan) over te nemen.
  • Concentratie: De tekst spreekt over de "opdracht tot het concentreeren" van deze zaken. Dit was een bewuste tactiek van de bezetter om de Joodse detailhandel te saneren en de distributie van schaarse goederen (zoals vis) te centraliseren in een klein aantal door "Ariërs" geleide verkooppunten.
  • Casus Savelberg: De schrijver maakt een scherp onderscheid tussen de Joodse zaken (zoals die van Drukker) en de zaak van Savelberg. Omdat Savelberg niet Joods is, valt zijn (reeds gesloten) zaak buiten de Duitse concentratie-opdracht.
  • Gemeentelijk verzet tegen monopolievorming: Opvallend is dat het Amsterdamse gemeentebestuur hier een grens trekt. Hoewel ze meewerken aan de Duitse verordeningen aangaande Joods bezit, verzetten ze zich tegen de poging van Imex om via deze weg een algemeen "vischconcern" of monopolie in de stad te vormen. De gemeente wenst de expansie van Imex strikt te beperken tot de toegewezen Joodse winkels. In november 1943 was de fysieke wegvoering van de Joodse bevolking uit Amsterdam nagenoeg voltooid (de laatste grote razzia's vonden plaats in september 1943). Wat overbleef was de administratieve en economische afwikkeling van hun achtergelaten bezittingen.

De Nederlandsche Visscherij Centrale (NVC) was een tijdens de bezetting opgericht distributieorgaan dat de gehele sector controleerde. De "afslag" verwijst naar de visafslag, waar handelaren toewijzingen (quota) kregen. In een tijd van grote voedselschaarste waren deze toewijzingen cruciaal.

Dit document illustreert de "banaliteit van het kwaad" op bureaucreatisch niveau: terwijl de oorspronkelijke eigenaren gedeporteerd waren, discussieerden Nederlandse ambtenaren en ondernemers over de precieze verdeling van de achtergebleven handelsrechten en de angst voor ongewenste marktconcentratie. De firma Imex staat bekend in archieven als een onderneming die actief profiteerde van de Arisering van Joodse viszaken.

Samenvatting

Dit document is een ambtelijke correspondentie die licht werpt op de economische aspecten van de Jodenvervolging ("Arisering") in Amsterdam tijdens de bezetting.

  • Arisering en Beheer: De firma Imex, onder leiding van A.J. van Rijsbergen, treedt hier op als beheerder van "7 Joodsche vischwinkels". Dit betekent dat de oorspronkelijke Joodse eigenaren hun bezit zijn kwijtgeraakt en Imex door de Duitse autoriteiten is aangesteld om deze zaken (of de voorraden/toewijzingen daarvan) over te nemen.
  • Concentratie: De tekst spreekt over de "opdracht tot het concentreeren" van deze zaken. Dit was een bewuste tactiek van de bezetter om de Joodse detailhandel te saneren en de distributie van schaarse goederen (zoals vis) te centraliseren in een klein aantal door "Ariërs" geleide verkooppunten.
  • Casus Savelberg: De schrijver maakt een scherp onderscheid tussen de Joodse zaken (zoals die van Drukker) en de zaak van Savelberg. Omdat Savelberg niet Joods is, valt zijn (reeds gesloten) zaak buiten de Duitse concentratie-opdracht.
  • Gemeentelijk verzet tegen monopolievorming: Opvallend is dat het Amsterdamse gemeentebestuur hier een grens trekt. Hoewel ze meewerken aan de Duitse verordeningen aangaande Joods bezit, verzetten ze zich tegen de poging van Imex om via deze weg een algemeen "vischconcern" of monopolie in de stad te vormen. De gemeente wenst de expansie van Imex strikt te beperken tot de toegewezen Joodse winkels.

Historische Context

In november 1943 was de fysieke wegvoering van de Joodse bevolking uit Amsterdam nagenoeg voltooid (de laatste grote razzia's vonden plaats in september 1943). Wat overbleef was de administratieve en economische afwikkeling van hun achtergelaten bezittingen.

De Nederlandsche Visscherij Centrale (NVC) was een tijdens de bezetting opgericht distributieorgaan dat de gehele sector controleerde. De "afslag" verwijst naar de visafslag, waar handelaren toewijzingen (quota) kregen. In een tijd van grote voedselschaarste waren deze toewijzingen cruciaal.

Dit document illustreert de "banaliteit van het kwaad" op bureaucreatisch niveau: terwijl de oorspronkelijke eigenaren gedeporteerd waren, discussieerden Nederlandse ambtenaren en ondernemers over de precieze verdeling van de achtergebleven handelsrechten en de angst voor ongewenste marktconcentratie. De firma Imex staat bekend in archieven als een onderneming die actief profiteerde van de Arisering van Joodse viszaken.

Gerelateerde Documenten 6