Archiefdocument
Origineel
12 juli 1939. Samuel Degen, wonende aan de Koestraat 13 I, Amsterdam. No.64/39/1 M.1939 AFSCHRIFT.
Amsterdam, 12-7-1939.
Waarde heer,
met deze deel ik u me als dat ik verkooper was op de Centr.Markthal-
len tot 4-2-1938.
Maar aangezien de handel zoo slegt werd heb ik de 14-2-1938 steun
ontvangen, ik heb dat behouden tot 4-5-1939 en ben toen naar mijn
oud beroep nam. venter overgegaan.
Toen ik nu mijn ventvergunning ontvangen had, ben ik naar marktwezen
gegaan, om mijn legitimatiekaart in ontvangst te nemen en kwam bij
den heer van Praag, die heef mij toen een brief voorgelegt, dat ik
nog f 27,- moest betalen, dat voor (3 dagen) en wanneer ik die niet
betaal, word mij de toegang tot de Centrale Markth.geweigerd. Ik
ben toen gedwongen geworden voor f 1,50 elke week te betalen. Ik
had op dat moment geen f 1,50 bij mij aangezien ik zat te wachten
op handelsgeld van M.S. Ik heb de 7-7-1939 f 15,- ontvangen van M.S.
Ik ben toen direct naar het kantoor van Marktwezen gegaan en hebt
f 1,50 betaald en 25 ct voor de kaart. ik heb 75 ct gegeven voor
eiken van gewicht. en ik moest een bescule koopen voor f 3,- dus
waarde heer ken u wel uitrekenen wat ik over heb gehouden van de
f 15,-. Ik ben Zaterdag en Zondag jl. met handel uitgeweest. Nu
Dinsdag jl. ben ik weer naar de markt gegaan en werd mij weer de
toegang geweigerd aangezien ik, weer f 1,50 moest betalen. Ik ben
naar den heer Steenbeek gegaan en hij heeft mij de deur en de markt
uitgejaagd zonder reden en getuigen van de heer Joghems. Ik ben
toch naar het kantoor gegaan en heb f 1,50 betaald. ik vroeg toen
voor een kwitantie en toen werd mij gezegd kom er later maar om
en werd mij geweigerd, wel mocht ik de markt op. Nu waarde heer,
toen ik nu een einde de markt reeds op was werd ik aangehouden door
de ambtenaar no.40, en die schreeuwde hè, hè hebt jij je schuld al
betaald, waar op ik hem ten antwoord gaf dat hij geen recht had
mij in het oopenbaar te manen ik zal een klacht tegen je indienen
bij den Wethouder den heer van Meurs. Waarop hij mij ten antwoord
gaf ik heb maling aan jou met Meurs Daarop heb ik mij zoo zenuwachtig
gemaakt, dat ik niet spreken kan nog minder roepen, Ik ben nu al
de geheele week thuis en kan niet doen dus heb ik het handelsgeld
weer opgegeten. Ik vraag U beleefd doch dringend om een onderhoud
opdat ik U de zaak nog beter uiteen kan zetten. bij voorbaat harte-
lijk dank noem ik mij u dienstwd.
Samuel Degen,
Koestraat 13 I
C. * Inhoud: Samuel Degen schrijft een brandbrief over zijn precaire financiële situatie en de botte behandeling door marktambtenaren. Nadat hij een periode van de steun heeft geleefd, probeert hij weer als venter aan de slag te gaan. Hij wordt echter geconfronteerd met een oude schuld van 27 gulden. Hij beschrijft gedetailleerd hoe zijn schaarse startkapitaal (het "handelsgeld" van 15 gulden van de Maatschappelijke Steun) opgaat aan leges en materiaal (ijken van gewichten, een bascule). De spanning loopt op wanneer hij publiekelijk wordt geconfronteerd met zijn betalingsachterstand door "ambtenaar no. 40", wat leidt tot fysieke klachten (niet meer kunnen spreken/roepen) en het wegvallen van zijn inkomen.
* Taal en Stijl: De brief bevat diverse spelfouten ("slegt", "heef", "voorgelegt", "bescule" voor bascule, "eiken" voor ijken) en grammaticale onvolkomenheden, wat wijst op een schrijver met een beperkte schoolopleiding die zich echter wel formeel probeert uit te drukken. De term "het handelsgeld weer opgegeten" is een krachtige metafoor voor het noodgedwongen verbruiken van bedrijfskapitaal voor primaire levensbehoeften.
* Kernpersonen: Samuel Degen (klager), de heer van Praag (Marktwezen), de heer Steenbeek (beambte), ambtenaar no. 40, en Wethouder van Meurs (toenmalig SDAP-wethouder Sociale Zaken in Amsterdam). * Historisch kader: De brief dateert uit juli 1939, de periode vlak voor de Tweede Wereldoorlog waarin Nederland nog de naweeën van de Grote Depressie voelde. De "steun" (werklozenzorg) was karig en de controle op werklozen was streng en vaak vernederend.
* Sociaal-economisch: De Koestraat lag in de oude Amsterdamse Jodenbuurt. De tekst geeft een inkijkje in het moeizame bestaan van kleine handelaren en venters die probeerden uit de steun te blijven, maar werden tegengewerkt door bureaucratie en openstaande schulden bij de gemeente.
* Bestuurlijk: De referentie naar Wethouder Van Meurs is interessant; hij stond bekend om zijn inzet voor de Amsterdamse werklozen, maar het document laat zien dat de uitvoering op de werkvloer (bij het Marktwezen) vaak hardvochtig was. De uitspraak "ik heb maling aan jou met Meurs" illustreert de kloof tussen het officiële beleid en de dagelijkse praktijk van ambtenaren.