Archief 745
Inventaris 745-295
Pagina 225
Dossier 2A
Jaar 1939
Stadsarchief

Ambtelijk advies / Conceptbrief

11 januari 1939

Origineel

Ambtelijk advies / Conceptbrief 11 januari 1939 [Stempel/Nummering: 64/5/9 | No ~~59/175~~ | M. 1939 20]

Amsterdam 11 Jan. 39.

In verband met een verzoek van den Heer
Muller om enkele tuinders een gedeelte
van het marktgeld kwijt te schelden in
verband met een besluit van B. en W. van
15 Maart 1935 heb ik de volgende opmerkingen.
Tuindersplaatsen zijn jaarplaatsen, dat ^houdt in^ ~~wordt~~
dat ongeacht het aantal dagen dat ge-
maakt wordt, de belasting à f 90,- schuldig is.
Tuinders ~~maart~~ komen maar een gedeelte
van het aantal dagen dat een jaar heeft -
markten, in verband met de ~~oogst van~~
voortbrengselen van hun bedrijf.
Koude grond tuinders komen op andere tijdstippen
met hun product op de markt, dan glas-
tuinders. Maar iedere tuinder heeft een ge-
deelte van het jaar, dat niet geoogst
wordt en dus niet door hen wordt ge-
markt. Uit de presentielijst van de
tuinders kan dat precies nagegaan worden.
Met deze omstandigheid is rekening gehouden,
bij de vaststelling van het marktgeld en
daarom vastgesteld op slechts f 90 per
jaar.
Nu wordt voorgesteld om tuinders die
een gedeelte van het jaar niet hebben
gemaakt en na de laatste dag van
markten, in dat jaar niet meer hebben
gemaakt, kwijtschelding van marktgeld te
verleenen, omdat zij zijn geen veilen.
Hoe kan dus iedere tuinder, die de laatste
maanden van het jaar geen of heel weinig
product heeft, zijn laatste restje op de
veiling brengen en ~~toch~~ kwijtschelding van
marktgeld verzoeken.
Hoe komt men dus practisch tot
maandplaatsen voor de tuinders.
Ook mede met het verschijnsel, dat In dit document reageert een ambtenaar (waarschijnlijk van de marktdienst) op een verzoek van een zekere heer Muller. Het verzoek behelst het verlenen van kwijtschelding van een deel van het marktgeld aan bepaalde tuinders.

De kern van het argument van de schrijver is als volgt:
1. Vast tarief: Het marktgeld voor tuindersplaatsen is een vast jaarbedrag van 90 gulden, ongeacht hoe vaak de plek feitelijk bezet wordt.
2. Seizoensgebondenheid: De overheid is zich ervan bewust dat tuinders (zowel koudegrond- als glastuinders) niet het hele jaar door kunnen oogsten en verkopen.
3. Ingebouwde korting: Juist omdat men weet dat tuinders periodes van inactiviteit hebben, is het jaartarief laag gehouden (f 90,-).
4. Precedentwerking: De schrijver vreest dat als men kwijtschelding verleent voor de maanden waarin niet wordt 'gemarkt', de jaarplaatsen in feite veranderen in maandplaatsen. Dit zou het systeem van vaste jaarlijkse inkomsten voor de gemeente ondermijnen. Het document dateert van januari 1939, een periode waarin de economische gevolgen van de crisis van de jaren '30 nog voelbaar waren en de overheid strakke regels hanteerde voor belastingen en leges. Het besluit van Burgemeester en Wethouders (B. en W.) van 15 maart 1935, waar naar verwezen wordt, vormde de juridische basis voor de inning van deze marktgelden. De discussie weerspiegelt de voortdurende frictie tussen de vaste lasten van de ondernemer (de tuinder) en de variabele opbrengsten uit de land- en tuinbouw. De tekst breekt abrupt af aan de voet van de pagina.

Samenvatting

In dit document reageert een ambtenaar (waarschijnlijk van de marktdienst) op een verzoek van een zekere heer Muller. Het verzoek behelst het verlenen van kwijtschelding van een deel van het marktgeld aan bepaalde tuinders.

De kern van het argument van de schrijver is als volgt:
1. Vast tarief: Het marktgeld voor tuindersplaatsen is een vast jaarbedrag van 90 gulden, ongeacht hoe vaak de plek feitelijk bezet wordt.
2. Seizoensgebondenheid: De overheid is zich ervan bewust dat tuinders (zowel koudegrond- als glastuinders) niet het hele jaar door kunnen oogsten en verkopen.
3. Ingebouwde korting: Juist omdat men weet dat tuinders periodes van inactiviteit hebben, is het jaartarief laag gehouden (f 90,-).
4. Precedentwerking: De schrijver vreest dat als men kwijtschelding verleent voor de maanden waarin niet wordt 'gemarkt', de jaarplaatsen in feite veranderen in maandplaatsen. Dit zou het systeem van vaste jaarlijkse inkomsten voor de gemeente ondermijnen.

Historische Context

Het document dateert van januari 1939, een periode waarin de economische gevolgen van de crisis van de jaren '30 nog voelbaar waren en de overheid strakke regels hanteerde voor belastingen en leges. Het besluit van Burgemeester en Wethouders (B. en W.) van 15 maart 1935, waar naar verwezen wordt, vormde de juridische basis voor de inning van deze marktgelden. De discussie weerspiegelt de voortdurende frictie tussen de vaste lasten van de ondernemer (de tuinder) en de variabele opbrengsten uit de land- en tuinbouw. De tekst breekt abrupt af aan de voet van de pagina.

Locaties

Amsterdam

Gerelateerde Documenten 6